






















Die
zondag ben ik eerst naar de Nationale Kunstgalerij gegaan, een lekker
koel en ruim gebouw met niet al te veel werken, van de vaste collectie
alle daterend uit de communistische tijd en voorbeelden van
socialistisch-realistische kunst: potige mannen en vrouwen op het land,
in de fabriek of op een constructiewerkplaats, vol ijver en
idealen
werkend aan een toekomst van.... van wat eigenlijk: nog meer
gelijkheid? De kunstenaars van die tijd leefden onder een streng
artistiek juk, maar toch, zo had ik al gelezen, bleven ze de randen
opzoeken van wat nog mogelijk was aan vrije expressie, en je hoeft
eigenlijk geen helderziende te zijn volgens mij om ook een kritische
boodschap te zien, zoals in het schilderij van de mijnwerker van Alush
Shima, een modelarbeider met zijn grote handen en strakke kaaklijn,
maar wiens ogen, zo schrijf ik ook in het boek, poelen waren van het
somberste zwart. Later lees ik dat de kunstenaar in 1973 honderdvijftig
van zijn stukken verbrandde die de communisten mogelijk als decadent
zouden kunnen beschouwen nadat een bevriende schilder is gearresteerd
vanwege het prijzen van Picasso (bourgeois), ik bedoel maar. 




