Yvonne
van Osch
Albanië
gastvrijheid / volksaard
Open deuren: deugd,
plicht of kans
Albanese
gastvrijheid:
je gaat uit van het goede
Albanië
is vermaard om zijn gulheid voor gasten. Terecht ook:
Albanezen staan 100% tot je beschikking zodra je over hun drempel
stapt. Die toewijding is niet gespeeld, toch gaat het vaak om meer dan
geven alleen. Om wat zoal? Een duik in het oude volksgebruik tot ver
over de Albanese grenzen.
November
2025
Een
gast en vis blijven drie dagen fris. Zo luidt de veelzeggende
uitdrukking over de op zijn best lauwwarme cultus van gastvrijheid die
wij kennen in eigen land. Kom binnen, ga zitten, maar blijf niet te
lang en vraag niet teveel. Drie dagen? Dat is voor de doorsnee
Hollander al onafzienbaar lang.
Nogal wat
anders dan het Poolse Gość
w dom, Bóg w dom (Een
gast in huis, God in huis) of het Atithi
devo bhava (Gast is God) van
de hindoes, om zomaar twee voorbeelden te noemen met een
tussenruimte
van een heel continent. In beide gevallen is sprake van een
heilige
band tussen gastheer en gast.Wees vrijgevig
en beleefd, is
de
boodschap, je
weet nooit waar het goed voor is.
Ook de Albanezen hebben hun
eigen variant met Shtëpia
është e mikut dhe Zotit (Het huis is van
de gast en
God) en het meer spirituele Buka
e mikut, gjysma e shpirtit (Het brood
van de gast is de helft van de ziel). En het is waar ook. Zoals iedere
toerist die openheid en belangstelling naar de Albanezen toont vroeg of
laat zal ervaren: als gast heb je in Albanië een bijna sacrale
status. Deuren zwaaien open, handen worden geschud en vastgehouden,
koffie komt op tafel, raki, brood, fruit, alles wat mensen kunnen
missen zelfs
van hun laatste geld… een ongelooflijke hartelijkheid.
Joseph
Roth: goede politie
is beter dan gastvrijheid
Wat is de motor achter die gulle gebaren? Joseph Roth, de
Joods-Oostenrijkse schrijver en journalist die bekend stond om zijn
neus voor komedie en opportunisme, vertrouwde het in zijn tijd al niet
helemaal. Roth zwierf in 1927 door Albanië om voor de
Frankfurter Zeitung verslag te doen van de politieke modderstromen rond
Ahmed Zog, die na de Ottomanen aan de macht gekomen was. De schrijver
had het geenszins op deze zetbaas van Mussolini’s fascistisch
Italië, maar over Albanië zelf was hij al niet minder
bijtend. ‘Een achterlijke, door hebzuchtige clans en
particularistische belangen verscheurde, op oriëntaalse leest
geschoeide, mislukte staat,’ zo noemde hij het land, aldus
Piet de Moor in diens voorwoord bij het boek Charleston op de vulkaan
waarin de Albanese stukken van Roth gebundeld zijn.
Roth
liet weinig heel van
het door onderdrukking geplaagde volk
‘der Skipetaren’. Die Albanese gastvrijheid waar
men het zo graag over had? Die hoefde je echt niet serieus te nemen.
Veel uiterlijk vertoon was het van ruw bergvolk dat communiceerde met
geweervuur en bloed, ‘het onderpand voor het
onderdak dat de
gastheer wil krijgen als hijzelf het mikpunt van bloedwraak
wordt', aldus het voorwoord. ‘Als je
consequent
sceptisch denkt,’ schrijft Roth, ‘kom je tot de
overtuiging dat goede politie beter is dan gastvrijheid.’
Arm Albanië! De schrijver moet wel erg aan zijn sceptische
blik gehecht zijn geweest, dat deze de zachtere ervaringen die hij ook
had, in de schaduw stelde. Over deze ervaringen schrijft Cheskel Zwi
Klötzel, een Joods-Duitse reporter die voor het Berliner
Tageblatt in dezelfde tijd als Roth Albanië bereisde.
Klötzel maakt mee hoe Roth na een nacht van koortsachtig
schrijven en raki drinken de avond daarop een aanval van malaria
krijgt. Vol verbazing ziet hij hoe de waard van Roth’s
herberg die nacht op zijn knieën ligt te bidden voor deze
vreemdeling, die nog maar enkele dagen onder zijn dak had gewoond.
Edith
Durham: door eer verplicht
Trouw tot in den treure, zo zijn veel Albanezen inderdaad. Ook de
Britse
antropologe en avonturierster Edith Durham maakte er begin 20ste eeuw
talloze voorbeelden van mee, in de ‘vervloekte
bergen’ van het noorden. Ze doet er verslag van in High
Albania. Katholieke, islamitische en orthodoxe clans
vechten om de eer
haar in hun huis te mogen ontvangen en op haar tochten te begeleiden.
Scheve ogen, ruzie en het knallen van geweren en pistolen komen eraan
te pas. Vaak scheelt het maar weinig of de kandidaat-gastheren vallen
dood voor haar voeten neer.
Voor
wat precies? Prestige?
Durham hoeft zelfs geen drempel over om als
trofee te worden binnengehaald. Een man die haar onderweg water
schenkt, verklaart dat zij met dat gebaar zijn gast geworden is en hij
dus verplicht zal zijn haar te wreken mocht haar iets overkomen voordat
zij elders gastvrijheid ontvangt.
Behalve de liefde voor gasten zit de hang naar het bloed van de ander
de Albanezen diep in hun genen, dat blijkt wel weer. Wat telt is besa,
het woord van eer dat regeert in deze onherbergzame streken, waar een
centraal gezag nooit voet aan de grond gekregen heeft. Al eeuwenlang
leven de mensen er in familieverband en baseren zij hun waarden op een
verzameling middeleeuwse wetteksten, bekend als Kanun.
Het toerisme heeft het leven in de bergen enorm veranderd de laatste
decennia. Bergdorpen zijn ontsloten, mensen verkopen hun verbouwde
producten en verhuren hun kamers. De bergbewoners zullen zeker
soepeler zijn als er geld mee is gemoeid, toch houden ze - als het moet
of als het uitkomt - aan de Kanun vast als aan een erecode. Over
eigendom en erfrecht gaat het daarin, over het dragen van
wapens, meebeslissen
en besturen, over uithuwelijking, bloedverwantschap en
bloedwraak, en over de zorg voor vreemdelingen. De gast is heilig, zegt
de Kanun, en het is de morele plicht van een clanhoofd
reizigers en
hulpzoekenden te beschermen en te voeden.
Durham ziet wat dit
betekent. Een Franciscaner priester die haar
wekenlang vergezelt stort nog liever met paard en al in een ravijn, dan
dat hij zijn beschermeling aan de zorgen van een ander toevertrouwt.
Gefascineerd is de schrijfster, en vaak genoeg in haar hart
geraakt. Toch
ervaart ze ook een andere kant. Het verplichtende karakter van alle
gulheid. Sociale schuld. De mensen geven, maar ze vragen ook, en niet
de eenvoudigste dingen. Of de reizigster uit Engeland misschien een
politieke omwenteling in gang kan zetten? Of ze hulptroepen aan kan
laten rukken om de orde te vestigen? Hoe absurd naïef de
wensen ook, ongemak erover blijft niet uit. Durham voelt zich soms
gevangen in een
web van codes. De gastvrijheid mag grenzeloos zijn,
eigenbelang staat
altijd te wachten om de hoek.
Tumbleweed
Hotel
Wat zijn die codes van spontane vriendschap tussen vreemden? Wat mag je
van de ander verwachten? En van jezelf? Be not inhospitable to
strangers lest they be angels in disguise
(Wees aardig voor
vreemdelingen, ze zouden engelen in vermomming kunnen
zijn) staat boven
een doorgang in de beroemde Parijse boekwinkel Shakespeare and Company.
Een
directe verwijzing naar Hebreeën 13.2 ("Vergeet de
gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen onbewust engelen
ontvangen"). Waar nu bezoekers zich voor de iconische pui verdringen,
maakte boekverkoper George Whitman in de jaren na 1950 ruimhartig werk
van
het Bijbelvers: hij bood behalve aan beroemde schrijvers als
Anaïs Nin en Allen Ginsberg onderdak aan de complete
contemporaine jazzscene en hun groupies in wat hij noemde zijn
Tumbleweed Hotel. Iedereen kon tussen de boeken een slaapplaats zoeken.
Wat was zijn inspiratie?
Whitman werd ooit levensbedreigend ziek in een afgelegen gebied van
Yucatan, maar ontsnapte aan de dood dankzij de zorg en
gastvrijheid van
een Maya-stam die hem opnam en verpleegde. Dankbaarheid
was Whitmans inspiratie.
De Maya’s hadden er niets mee te winnen, behalve hun eer en
zielenheil. En ze zullen hooguit wat van deze dankbaarheid voor hun
goede zorgen hebben terugverlangd. Van wederkerigheid
zal hier in die
zin nauwelijks sprake zijn geweest. Ook in het algemeen zal de kost
lang
niet altijd voor de baat uitgaan. Evengoed
kun je maar beter het zekere
voor het onzekere nemen, zegt ook de Bijbel, of het nou om een
investering
of om een dankbetuiging gaat. ‘U mag een
vreemdeling niet uitbuiten en hem niet onderdrukken, want u bent zelf
vreemdelingen geweest in het land Egypte,’ wordt in het Oude
Testament tot twee keer toe benadrukt (Exodus 22:21 en Jeremiah 22:3).
Het helpen van een vreemdeling – een kwetsbare, zwakke of
verstotene - is een
directe daad van dienstbaarheid aan Jezus. Dat die
daad ook wordt beloond, blijkt als het in Matteüs 25 richting
laatste oordeel gaat. Alleen zij die goed waren voor behoeftigen zijn
gezegend (de schapen), terwijl zij die dat verzuimden het eeuwig vuur
wacht (de bokken).
De
Kanun, de Tenach, de
Bijbel, de Koran. Albanië, Polen,
India, Mexico, Israël. Wie erop let, kan over de hele wereld
gelijksoortige voorschriften en regels over goedheid jegens onbekenden
tegenkomen in de literatuur en de fysieke wereld. Van de
maya’s is bekend dat ze een deel van de oogst op het land
laten liggen voor dieren en passanten, net als vreemden, weduwen en
wezen volgens Bijbelboek Ruth het recht om koren te rapen toeviel.
Arabische woestijnnomaden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten
overladen hun gasten drie dagen lang met voedsel en geschenken zonder
ook maar één keer naar de reden van het bezoek te
vragen. Moslims houden voor een onverwachte gast een extra plaats aan
tafel vrij, Caribische eilandbewoners laten met een ananas bij de deur
zien dat bezoekers welkom zijn, en ga zo maar door.
Julia
Kristeva: de
vreemdeling in onszelf
Het is duidelijk: de vreemdeling is niet zomaar iemand. Niet een
schip dat opduikt in de nacht en met zacht geruis
voorbijvaart. De
vreemdeling is een factor, een deel van
ons leven, een vaste waarde. Vaag vertrouwd omdat hij een
mens is net
als wij, maar tegelijkertijd ongrijpbaar, een onbekende, vol mysterie
en gevaar. Zijn we nieuwsgierig, dan is het vanwege dit mysterie, zijn
we bang, dan is het voor het gevaar.
Hoe verhouden we ons tot het onbekende in de ander, dat zowel goed kan
zijn als slecht? In haar boek Etrangers à
nous-mêmes (De vreemdeling in onszelf, 1988)
dook de
Frans-Bulgaarse filosofe Julia Kristeva in het begrip
vreemdelingenethiek en gastvrijheid. Kristeva stuitte in haar poging
binnen te dringen in de cultuur van haar tweede thuisland Frankrijk op
een muur van ongeschreven regels die haar als exoot bevestigden. De
Fransen onderstreepten daarmee hun positie, zo kun je zeggen, als de
fine fleur van onze West-Europese beschaving.
Kennelijk
kan dat de
rol van de vreemdeling zijn: je kunt op hem de
voortreffelijkheid van je eigen smaak en zeden projecteren. Hij laat je
zien hoe goed je eigenlijk bent. Is het dan
ook zo, dat hoe slechter we over de vreemdeling denken, hoe beter wij
ons
zelf voelen? Of juist niet?
Interessante vraag. Kristeva leed zelf niet overdreven onder haar
positie als buitenstaander, spreekt uit een artikel
in HN dat ethicus
Frits de Lange in 1989 schreef over de schrijfster en haar boek. Juist
als niet-geassimileerde bleef zij voor de Fransen een object van
fascinatie, zo verwoordde hij. ‘Nooit ben je een
banale of te
verwaarlozen presentie,’ schrijft Kristeva, ‘een
Monsieur of Madame Tout-le-Monde. Als vreemdeling ben je een
curiositeit, er wordt om je heen gelopen en je wordt besnuffeld. Soms
gromt de Fransman daarbij en laat hij zijn tanden zien (Jean-Marie Le
Pen), maar meestal wil hij alleen maar met je spelen. Ook dat is
vernederend, maar het kan veel erger.’
Inderdaad. Want over besnuffelen gesproken, wij Hollanders konden er
ook wat van. Bij de wereldtentoonstelling van 1883 op het net
ingerichte Museumplein in Amsterdam werden
‘inboorlingen’ uit de Nederlandse koloniën
tentoongesteld in hun nagebouwde habitat. Het toegestroomde publiek had
de relatief hoge toegangsprijs van een kwartje er graag voor over om
deze exoten vrijblijvend te begluren. Slechts bij een enkeling riep de
‘etalage van menschenvleesch’ gevoelens van ongemak
op, schrijft Het
Parool.
Kristeva ontleent haar ethiek aan Montaigne, die op een markt in Rouen
in 1572 oog in oog met geïmporteerde oerwoudindianen vaststelt
dat hij (de toeschouwer) barbaarser is dan degene naar wie hij kijkt.
‘Wie zijn eigen barbarij onder ogen ziet, accepteert ook de
ander als vreemdeling -ziedaar Kristeva’s vreemdelingenethiek
in een notendop,’ schrijft De Lange. De ander is je
eigen onbewuste, zegt Kristeva. We zijn onze eigen
vreemdeling.
Levinas
en Derrida:
onvoorwaardelijke openheid
Zorg je goed voor de ander, dan zorg je ook goed voor jezelf, zou
hiermee gezegd kunnen zijn. En zorg je goed voor jezelf, dan doe je dat
ook voor de ander. Klopt dat? En is daarmee sprake van intrinsieke
wederkerigheid?
Ook de 20ste-eeuwse Joods-Franse filosoof Emmanuel Levinas
verdiepte zich in ‘het gelaat van de Ander’. Het is
onze verantwoordelijkheid om ruimte te maken voor de ander, schreef
hij, zonder die te willen reduceren tot één van
ons. Met andere woorden: de
gast mag er zijn, in al zijn eigenheid en
vreemdheid. Hij mag zichzelf zijn.
Maar wat als die gast zijn voeten op tafel legt, valse noten fluit en
anderhalf uur in de badkamer rond blijft hangen? Ook de Joods-Franse
filosoof en literair criticus Jacques Derrida sluit zich aan bij
Levinas’ ideaal van onvoorwaardelijke gastvrijheid.
Tegelijkertijd erkent hij dat voorwaarden op politiek niveau
onontbeerlijk zijn.
Een
notie die raakt aan
een van de grootste Europese politieke
vraagstukken van dit moment: migratie.
Levinas en Derrida
waren zelf
immigranten. Levinas kwam in de jaren 20 van de vorige eeuw uit
Litouwen naar Frankrijk om te studeren, Derrida vluchtte met zijn
ouders uit Algerije mee voor het antisemitische koloniale beleid onder
het Vichy-regime.
Beiden zullen hun achtergrond en ervaringen hebben meegenomen in hun
denken over gastvrijheid
en de positie van nieuwkomers en
buitenstaanders. Je weet ook pas hoe het voelt om een
buitenstaander te
zijn, als je het zelf ervaren hebt. De komst van de
buitenstaander is
een onverwachte gebeurtenis die het bestaande systeem uitdaagt,
constateert Derrida. Hoeveel frictie verdraagt het systeem voordat dit
de frictie als onderdeel omarmt? Of: waar houdt de openheid van de
gastheer op en beginnen de leefregels die hij oplegt aan zijn gast?
Opmerkelijk. Op zakelijke en educatieve platforms in de
hospitality-industrie, een uitdijend domein dat van de ouderwetse
herberg via grand cafés en wellness-centra naar
massagesalons en nagelstudio’s loopt, wordt veel geschreven
over de zogenaamde gastvrijheidsparadox:
gastvrijheid betekent ruimte
en vrijheid voor de individuele gast, maar ook het stellen van grenzen
ter bescherming van de grotere groep.
Het belang in een commerciële context is evident en geheel
verdedigbaar. Je zorgt als ondernemer dat je klant zich welkom voelt,
zodat hij jouw product af zal blijven nemen. Tegelijkertijd let je op
de omgeving waarin dit gebeurt. Voelt ook de grotere groep zich thuis,
is de vraag, en welke klant zie je liever niet?
Korte broeken en lawaaihemden in het sjieke Amstel Hotel?
Waarschijnlijk alleen als er nog veel lege kamers zijn. Een uitgekookte
gastheer zal zijn klanten precies die exclusiviteit bieden die hij zich
zakelijk veroorloven kan, als hij al niet het product aanpast op een
verschuivend klantprofiel. Ook dit zou je een gastvrijheidsparadox
kunnen noemen.
Mikpritja:
je gaat uit van
het goede
Terug
naar
Albanië, waar deze reis begon. Het land heeft een
veelgeroemde traditie van gastvrijheid. Niet alleen op individueel
niveau. Zeker drieduizend Joden vonden er onderdak in de dreiging van
WO II, toen de meeste landen juist hun grenzen sloten. Tijdens de
Balkanoorlog van 1999 werden zonder veel omhaal 400 duizend Kosovaren
bij merendeels armlastige families in Kukës opgevangen. En ook
recent nog, in 2021, ontving het land drieduizend Afghanen uit westerse
overheidsdiensten op de vlucht voor de Taliban. Er ging wel iets mis,
namelijk dat lang niet iedereen doorstroomde en sommigen vier jaar na
dato nog steeds op een visum voor Amerika of Canada wachten, maar de
intentie was goed.
Of dat ook geldt voor de deal die premier Edi Rama in 2023
sloot met zijn
Italiaanse ambtgenoot Giorgia Meloni om de asielprocedure voor
overzeese vluchtelingen naar Italië over te nemen? Weinig dat
daarop wijst. Tirana Times sprak van een ordinaire publiciteitsstunt,
bedoeld om Afrikanen af te schrikken. Anderen zagen een poging van Rama
om bij Meloni in het gevlei te komen voor nog te ontwikkelen
tegenprestaties richting EU. Het werd in ieder geval een
eclatante
mislukking, die met gastvrijheid
of hulpvaardigheid helemaal niets te maken had en waarvan
Rama de
aandacht afleidt door steeds weer nieuwe plannen uit
te spuwen, links en rechts handen
schuddend met wereldleiders, maffiabazen en projectontwikkelaars.
George
Whitman omschreef zijn Shakespeare and Company als een socialistische
utopie in de vermomming van een boekwinkel. Bij Rama, die aan zijn
vierde termijn begonnen is, is het een
autocratie onder de vlag van de Socialistische Partij. De
rasopportunist en zijn corrupte entourage gaan verder waar hun vaders
en ooms in 1991 zijn opgehouden. Oude wijn in nieuwe zakken,
een
voortzetting van de corrumperende
krachten die het volk diep in de ziel staan gekerfd. En die
cynisch genoeg in vrij rechte lijn met de volksaard te
verbinden zijn.
Het
Albanese woord voor gastvrijheid is mikpritja. Dat is
een prachtig
en geweldig woord, omdat de begrippen ‘vriend’ en
‘wachten’ erin besloten liggen. Je wacht op een
vriend, je
verwacht vriendschap. Natuurlijk weet je niet of het
wachten
wordt beloond, maar je gaat van het goede uit. Dat is wat uit mikpritja
spreekt.
Je kunt het naïef
noemen, dit vertrouwen van de Albanees in de
ander. En dat is het ook. Maar dat is misschien juist het wezenlijke
van gastvrijheid.
Naïef betekent onschuldig, onwetend,
nog-niet
verpest. Het
vertrouwen van de (nog niet door consumentistisch toerisme verpeste)
Albanees in de vreemdeling komt niet voort uit het
comfort
van een functionerende economie en een autonoom
rechtssysteem, zoals wij dat in het westen (nog) kennen. Dat is een
systeem waar je mogelijk op terug kunt vallen mocht een gast
misbruik van
je maken. Nee. Het vertrouwen van de Albanees in de vreemdeling -
gastvrijheid, komt voort uit
eeuwen van isolatie, armoe en onderdrukking, en de daardoor gevoede
overtuiging dat het elders wel beter móet zijn.
Mikpritja, het wachten op
een vriend, dat is samenvattend inderdaad die gul aangeboden raki
en de deur die
openzwaait. Het is het vermogen van de Albanees om in te
schikken
voor een ander en zijn laatste kruimels te delen. Het is
nieuwsgierigheid, hartelijkheid
en warmte. Allemaal echt waar. Maar
dit alles kan niet los worden gezien van een verleden en dna vol
ontbering, rechteloosheid en overgeleverd zijn aan de gunsten van
anderen, te weten heersers met particuliere belangen. En daardoor,
concludeer ik enigszins in lijn met Joseph Roth maar wel iets
positiever, is (Albanese) gastvrijheid in essentie vooral de hoop op
een
beter leven.
Een ontnuchterende conclusie misschien, maar ook een die er
hopelijk toe aanzet om als toerist
buiten de ontplofte hotspots op akkers, paden en stille erfjes
voor het authentieke
Albanese levensgevoel open te staan, met mensen in gesprek te gaan,
en vriendschappen te sluiten. Je zult er geen spijt
van krijgen!
Tekstbureau Yvonne van Osch
Binnenkadijk 117, 1018 ZE Amsterdam
opschrift@tip.nl | 06-37313100