logo albanieblog



deel 8 Sarandë


Zaterdag, 23 juni 2018

Een nieuwe aflevering, en ik moet zo ver terug in mijn gedachten, zoveel wegen, plaatjes, gesprekken en gedachten langs. Ik zal wel blij zijn, eerlijk gezegd, als er even niets meer bijkomt en ik mijn aantekeningen een keer rustig kan gaan verwerken, mijn hoofd loopt zowat over. Gelukkig maakt Jet de hele tijd foto's onderweg, zodat we ook het veranderen van het landschap bij kunnen houden en de ongelooflijke afwisseling. Je houdt het niet voor mogelijk hoe mooi het hier is.

Sarandë was als een onderbreking, in mijn herinnering, van de eigenlijke reis, een plek vol levendigheid en Griekse invloeden met mooi uitzicht op het water en aankomend bootverkeer uit Korfoe, maar zo vol toeristen dat je het land er bijna niet meer doorheen zag. Op de kade zaten Romamannen prachtig te spelen, een op accordeon, een op klarinet en een op een trom. Verder veel verkopers van goedkope sieraden, geweven tasjes met de vlag van Albanië en koperen pepermolentjes. We hadden een mooie plek op het terras van een restaurant vlakbij de haven en keken op de kademuur waar een blinde man met een ongeveer veertienjarig meisje zat, waarschijnlijk zijn dochter. Zo konden we een uur van hun tijd meebeleven. De verwachtingsvolle anticipatie van het meisje als een toerist ook maar een blik op haar tafeltje wierp, haar glimlach, de gelatenheid als die persoon toch weer doorliep... maar vooral het wachten, het eindeloze wachten en nietsdoen. Af en toe wisselden ze een paar woorden of stonden ze op om een klein stukje te lopen, daarna ging het wachten zittend weer verder. We juichten bijna, Jet en ik, toen een vrouw bij het tafeltje stopte en daadwerkelijk een tasje kocht. Het meisje kon duidelijk haar geluk niet op. Wat er daarna gebeurde, kunnen we nog steeds niet thuisbrengen. Ze gaf het geld aan haar vader, die het bevoelde en in zijn tasje stak. Daarna belde ze iemand op, nog steeds heel blij. Wij hadden besloten ook wat te kopen en op het moment dat we daar stonden kwam een Albanese vrouw naar het tafeltje toe die een selfie van het meisje en haarzelf maakte, lachend, en onder het uitroepen van wat wij dachten dat aanmoedigingen waren, weer verder liep. Haar moeder, een opdrachtgever? Had het meisje net haar eerste koop voltooid en werd ze toegelaten tot het gilde van straatverkopers? Moest ze dankbaar zijn dat ze dit kon doen en moest ze al het geld 's avonds weer afstaan? We kwamen er niet uit. De volgende ochtend zat het stel er weer, vanaf een uur of zeven, acht, en 's avonds in het donker nog steeds. Twaalf, veertien uur op een stenen randje voor een paar rotcenten...

De tweede avond kwam een vet zwart jacht op een soort treiterende manier de haven in en ging daar langzaam heen en weer liggen varen, we wisten niet wat we ervan denken moesten maar het was een ongemakkelijk contrast met al die ploeterende verkopers op de kademuur. Het meest aparte en komische beeld dat me bijgebleven is: een klein oud vrouwtje in het zwart dat voorbijsjokt voor ons hotel Vila Margarita, in een hand een stok, onder haar arm aan de andere kant een knalpijp.


haventje sarande
Het vissershaventje van Sarande

kinderen in Sarande
Speeltuintje in Sarande

Butrint

Het hoogtepunt van Sarandë was natuurlijk Butrint, een van de grootste archeologische sites ter wereld en fantastisch gelegen op een bosrijk stuk land in een spiegelgladde lagune. Na Apollonia, Byllis en Oriko weet je het wel zo'n beetje, zou je zeggen, nou dit was toch weer iets anders. Het gebied was uitgestrekter, de resten waren meer intakt - sommige bouwwerken misschien nog wel voor dertig procenten - en de begeleiding met paden, bruggetjes en bordjes door de eeuwen erg stijlvol en harmonieus. De kaartverkoper leende ons zijn paraplu en afgezien van een grote groep Polen met een vrij nadrukkelijk sprekende gids, waren we er vrijwel alleen, wat toch wel steeds iets geks is. Hopelijk spreken de foto's verder voor zichzelf, want ik moet gauw verder.


Butrin
Resten van villa's uit verschillende periodes

doop
Doopkapel uit de 5e eeuw


Syri i kalter

De volgende stop was Syri i kalter oftewel Blauw oog, een magische bron (karstverschijnsel) waar uit een diepte van misschien wel vijftig meter zo'n zes kubieke meter water per seconde opwelt. Die plek is blauw als een oog, maar het water van de rivier die er mede uit ontstaat, de Bistricë, is ook kraakhelder en hier en daar bijna lichtgevend groen, van planten. Veel groot hoefblad langs de oevers, met klimop begroeide eiken, gele en paarse bloemen, blauwe en bruine vlinders, in het frisse ochtendlicht, het was sprookjesachtig mooi. Weinig toeristen op het vroege uur, een familie van in Amerika wonende Albanezen gemengd met thuisblijvers, wat zoekend naar een passende houding (Where are you guys from, vroeg een jong lid aan ons.)


naar blue eye
Naar Blue eye

Blue eye
Het blauwe oog

naar blue eye
..en waar het water naar toe gaat.


We wilden ook naar Delvin op een weg een stuk hoger, dus gingen terug, overigens langs een mooi oud klooster in Mesopotamië langs het schitterende riviertje, en we kwamen er ook, maar als we het geweten hadden... het is toch best wel moeilijk om erachter te komen welke wegen wel en niet berijdbaar zijn. Waar 'only 4x4' staat op onze kaart, ligt nu op veel plaatsen asfalt, terwijl de als groter aangegeven wegen soms totaal in verval zijn geraakt of nooit begaanbaar zijn geweest. Tot Delvin ging het goed. De moskee van Rusan, waar het om ging, was zoals eigenlijk alle andere kerken en moskeeën die we willen bekijken in restauratie, zonder dat er op dat moment feitelijk iets leek te gebeuren. Een paar bestofte en goedmoedige werklui zaten kleine kopjes koffie te drinken in het voorportaal. Een gedecideerde oudere dame deed de deur voor ons open. Ik vroeg naar de bektashi sektie en ze had er duidelijk geen zin in. Moslim, orthodox, bektashi, maakte ze heel expressief duidelijk, wat maakt het nou uit, het gaat er om dat je mens bent en een directe connectie hebt met het hogere (toch wel een beetje waar de bektashi voor staan volgens mij). Ze nam ons mee, alsof het zo afgesproken was, naar haar huis, waar een winkeltje en een barretje bleek te zijn. Koffie, vroeg ze, ja lekker zeiden wij, en toen kwam er van alles op tafel behalve dat. Water met een ouderwetse citroenplant erin, olijven, ingelegde kersen, kaas waar ze gedroogde kruiden van het takje overheen kruimelde en die ze vervolgens vanaf een klein vorkje naar ons mond bracht, brood, komkommer, en het was echt verrukkelijk. Uit haar hart, zei ze, maar toen ik 500 lek gaf, weigerde ze niet. We moesten ook het huis zien en foto's maken van de gehaakte vitrage en de foto's die ze er zelf had hangen.


lunch bij vrouwtje
Onverwachte lunch in Delvin

ster
Een stille echo uit het verleden


Later begrepen waarom er waarschijnlijk weinig toeristen naar Rusan kwamen, bij Delvin waar het weggetje naar boven gaat, houdt het asfalt op. Nee hè, riepen wij, toch wel met een nog levendig Byllis-trauma, en keerden om, om voor de derde keer langs Mesopotamië te gaan, weer een uur, maar ik kan mijn lezers straks tenminste waarschuwen, of sterker, heel Rusan uit het verhaal laten, zonder een spoor van onze inspanningen. Of verwijzen naar een gratis lunch die je moet betalen.

De SH99 was wel prachtig, en voorbij Muzinë begint het behoorlijk te klimmen waarna de berg een heerlijk uitzicht blootgeeft op de ruime vallei van Dropull (maak gerust het grapje), die je heel ontspannen over een brede weg naar Gjirokaster leidt. Er waren nog een aantal kerkjes en archeologische resten die we zouden kunnen bekijken maar eerlijk gezegd... pfff, alleen bij Libohove gingen we van de weg en helemaal naar boven omdat daar een kasteel zou staan, weer zo'n monster voor de gouverneur van Noord-Epirus Ali Pasha Tepelenë, een bruut die zowel vrouwen als jongens verslond en iedereen die hem tegenwerkte, afzonk in een zak met stenen (zijn vrouw was ook barbaars had iemand ons verteld, die vulde haar kussen met het haar van haar vermoorde rivalen, en dit allemaal nog niet eens 2,5 eeuw geleden). We zaten op een terras van weer zo'n doodstil restaurant naar het ding te kijken dat nog weer wat hoger stond en hadden allebei geen puf erheen te gaan. De capuccino van Jet was zo zoet dat je tanden bedierven als je er zelfs maar naar keek.
En toch kwam het ook hier weer goed. Want er zou een speciale boom zijn, bij Hotel Libohovë, en die was er! Het was een plataan uit de zestiende eeuw, met een stam van zeker twee meter dik en een kroon van wel vijftig meter doorsnee. Wat echter het meest bijzonder was: de boom had takken die uit verschillende takken kwamen. Niet zomaar samengegroeide takken die je wel vaker ziet, maar takken waar je niet van zag waar ze begonnen waren, takken die een circuit vormden dus. De eigenaar van het hotel die in de grond aan het werk was, wees ons erop, en toen we er eenmaal een gezien hadden, zagen we er steeds meer. Het was ongelooflijk, er waren er wel 100! Jet vond het heel bijzonder dat ze een soort reclamebord voor de boom in de boom hadden geschroefd. In Butrint hadden we gezien dat veel bomen die deze behandeling hadden ondergaan omdat ze bijzonder waren, juist waren doodgegaan (een minder harmonieus aspect). Maar enfin, of we taart wilden, de specialiteit van de streek. Nou heerlijk, zeiden wij, wat aardig. Het bleek gewoon byrrek, groente in bladerdeeg, wat je door heel Albanië vindt, maar heel vers en inderdaad erg lekker. Het leek wel alsof we oude vrienden waren, zo werden we binnengehaald. En dit was al een wat ouder restaurant. Hoe houden ze het vol, denk je elke keer. Wat is iedereen hier toch lief! Het blijft een verrassing, die je herinnering aan zo'n op zich vergeetbaar plaatsje kleurt.


takken
De oude plataan


Even iets grappigs tussendoor: we hebben een thuisblijfdagje om alles bij te werken, in een lekker en beetje raar hotel in Korcë, waar geen levende ziel te bekennen is en vanaf een groot, beschut wat truttig terras de muziek uit de boxen knalt alsof het live is (Frank Sinatra en free style jazz). In de kamer twee piepende ziekenhuisbedden maar een fijn tapijtje, een ouderwetse commode en schilderijen in zeer donkerbruine lijstjes, een soort van apart en stijlvol (geen droge zone echter), Jet constateerde net dat het wc-papier op was en prompt komt een vrouw binnen die van alles in de badkamer doet en terugkomt met het gevraagde item. Dat werkte goed, dachten we, misschien werkt het nog een keer. Groente, zei ik nadrukkelijk, zou dat kunnen? Ge-grilde groen-te! Je gelooft het niet, maar nog geen tien minuten later kwam de eigenaresse van het hotel naar binnen wandelen om ons voor het eten uit te nodigen. Are you vegetarian vroeg ze? We keken elkaar aan. Had ze nou begrepen dat ik 'gegrilde' groente wilde, vroeg ik me even later af. We gaan er zo heen, ik ga nu verder met het oude verhaal.

Over de boom. Lord Byron was er ook geweest en had zich verbaasd over de schoonheid ervan. De takken hangen naar beneden als de vlechten van een meisje en 's avonds, had hij geschreven, geeft het onderdak aan duizende kwetterende vogeltjes. Het verhaal gaat dat de boom gegroeid is toen een kapper hier zijn stok in de grond stak om een waterbron te markeren. Het was begonnen te regenen, maar heel plaatselijk, even verderop, een soort kolom van water. Inmiddels waren we vlakbij Gjirokaster, een nieuwe belofte in de vorm van een oude stad.


Naar de volgende aflevering
Terug naar het overzicht




Wil je meer weten over mijn andere werk? Ga naar de homepage van mijn site



Tekstbureau OpSchrift
Yvonne van Osch
Binnenkadijk 117, 1018 ZE Amsterdam
opschrift@tip.nl | 06-37313100