logo albanieblog



deel 7 Vlorë


Zondag, 17 juni 2018

We vertrokken maandag, een eeuwigheid geleden, uit Berat, over de SH73, een spannende weg, met  gaten, schapenkuddes, stalletjes met vijgen en meloenen, een schip in een tuin. Inderdaad een vrolijke stad, zeiden we, toen we dachten in Fier te zijn aanbeland. Ik had op internet geel en groen geschilderde flats gezien met schone brede straten. Maar waarom keek iedereen zo naar ons? We bleken in Roskovec te zijn, nog een heel stuk voor Fier. Mensen waren daar geen toeristen gewend. Niet dat ze er minder vriendelijk om waren. We zagen een hele groep mensen voor een winkel of bedrijfje staan. Loteria? vroeg ik. Yoyo, zei een man, soldi, pension! Veel mensen waren veel te jong voor een pensioen, we hielden het op een soort uitkering, bedeling zou je bijna zeggen. Het ging om 2000 lek per maand, zestien euro. Ongeveer wat wij hier dagelijks aan eten besteden. In de bars uitsluitend jonge mannen, met hun kopje koffie van 50 cent, op straat de meisjes en de ouderen.
Fier leek ook in het echt heel mooi, fleurig en bijna kosmopolitisch. Brede straten, hoge flats, overal mensen. Waarom had ik hier niet meer over geschreven? Net voor de stad enorme opslagtanks voor olie, misschien was iets van deze fossiele rijkdommen toch bij de mensen terecht gekomen? Het viel ons op dat de wegen er beter waren en er bijna luxueus uitziende bussen reden, strak rood en wit, niet de afdankertjes van Connexxion zoals in Berat of de Chinese monsters die ik in Tirana heb gezien.


boot
Een boot in een tuin

mannetjes
Roskovec

olie
Olieopslag bij Fier

Ardenicë en Appolonia

Van Fier gingen we eerst naar boven om het klooster van Ardenicë te bekijken. Een schitterend complex in crèmekleur op een heuvel, met in het centrum een 13-de eeuwse kerk met heel donkere fresco's. Volgens de kaartverkoper die in gebrekkig Italiaans (dachten wij) een rondleiding probeerde te geven, waren ze verkleurd doordat de communisten er tijdens de atheïstische campagne propagandafilms hadden opgenomen. Deze informatie was helemaal nieuw voor mij, en ik heb er ook nu nergens iets over kunnen vinden. Dilemma: lijkt me heel interessant om te melden, maar mag ik het geloven?


ardenice
Ardenice

fresco ardenice
De duivel in kleur


Afgezien van twee jonge Duitse meiden, van wie een wild enthousiast werd toen we over de muilezels vertelden, waren we helemaal alleen op de plek. Hetzelfde toen we terug in Fier naar het westen reden om het moerasland aan de kust te checken. Een zanderige weg, wat dorpjes met onafgebouwde huizen en mensen die één koe of paard langs de berm leiden, oma's die voor het huis op een stoel zitten en hun zonen die een schep in een hoop zand steken, kinderen op fietsjes, dat soort taferelen. Er spreekt niet heel veel mismoedigheid uit, toch worden wij er plaatsvervangend af en toe wat treurig van. Het ergst vind ik persoonlijk al die jongens die maar koffie zitten te drinken in al die honderdduizend barretjes in elke negorij die je maar tegenkomt. Ik vind het allang niet meer exotisch of antropologisch interessant. Ga Iets Doen, denk ik alleen maar. Ga die troep opruimen, ga iets maken of plukken of schilderen, onderneem iets! Jet vindt het onterecht als ik me erger. Zou jij het doen in hun geval? Ik wel, denk ik. Maar ik ben hun niet.

Enfin, bij de kust was de vegetatie speciaal, korte naaldbomen die allemaal naar het zuiden gebogen waren, alsof er altijd een strakke noordenwind stond, wat echt niet zo was. Het was weer om te stikken zo heet, en aan het eind van de weg troffen we niet het romantische strantrestaurantje waarop we hadden gehoopt, maar wel een stuk of twintig badgasten onder rieten parasols en verder een klein lint met leegstaande stukgewaaide gebouwtjes. Troosteloos en mooi tegelijk. Dat weten we dan tenminste weer, zeggen we steeds als het anders is dan we dachten. Hier hoeft niemand heen. Even terug was er daarentegen een erg leuk tentje, met beschutte  privéhutjes om in te eten.


strand bij fier
In ons privézitje

fier
Fier


Het was al tegen het einde van de dag toen we in Apollonia kwamen, claim to fame van Fier en een van de meest bekende archeologische sites van het land. Griekse kolonisten hadden zich er tussen de Illyriërs gevestigd in de vierde eeuw voor Christus toen hier de monding van de Vjosë lag, die later door een serie aardbevingen is verlegd, waarna de stad zijn havenfunctie verloor en verlaten werd. Ook Byllis, Amantia, Orikos en andere, ooit welvarende steden met een akropolis, theater, eigen munten, stoa (zuilengalerijen die als keermuur diende maar ook als plek om al wandelend te filosoferen) enzovoort hebben een soortgelijke historie. Moet ik elke keer dat hele verhaal vertellen, vroeg ik mij af? Of kan ik het inkorten tot 'stichting, handel en bloei, neergang en afgehakte ledematen in rivieren van bloed'? Wat vinden jullie, familie, vrienden en bekenden? Of vinden jullie dit blog sowieso teveel tekst en/of staat het onderwerp te ver van jullie af? Alle begrip hoor. Als je maar doorzet!!

Waar was ik? O ja, Appolonia, nou interessant, maar ik vond het zoals wel meer in Albanië wat liefdeloos. Alsof mensen (en bestuurders) denken: o ja, geschiedenis... een soort onverschilligheid, of onwilligheid om teveel bij het verleden stil te staan. De namen op de grote plattegrond bijvoorbeeld strookten niet met die op de informatieborden bij de diverse objecten. Centre Historique werd Bouleuterion, Stoa Rugga enzovoort. Maar evengoed was het heel apart om daar vrij door de eeuwen heen te wandelen. Ik ging nog even naar de akropolis en daar was ik helemaal alleen, met vijf schildpadden.


apollonia
Apollonia

bouleuterion
Bouleuterion


Hierna mochten we eindelijk naar ons hotel aan zee, voorbij Fier nog wel over een snelweg. De snelweg begint aan het einde van een soort grintpad langs honderden kapotte kassen vol onkruid waar het glas in roestige sponningen gebroken naar beneden hangt...  hier, denk je, is het hier, de oprit??? En ja hoor, na nog wat meloenen en agenten met een spiegelei die meteen de andere kant opkijken als ze zien dat je toerist bent, kun je ineens gas geven of een geweldige plak recht, glad en gatenloos asfalt.


kassen
De oude kassen

 
Aqua Marina

We hoopten op een rustige, gezellige plek aan zee. Ik wist niet precies meer wat ik had uitgezocht, zag alleen nog een foto voor me van een lachend gezicht en een grill met vis. Stel je je er maar niet tevee van voor hoor, waarschuwde ik Jet, die in de auto al bijna haar badpak aan wilde doen, maar toen we aankwamen in Radhimë, net onder Vlorë, bleek het helemaal goed: een huisje op de begane grond op de hoek van het gebouw, aan een grintpleintje waar een caravan stond en een soort klushoek was, maar ook klapperbomen en planten in potten, veel hergebruikt hout, vruchten, planten, trappetjes langs de rotsen naar een kiezelstrand en azuurblauw water, een terrasje met rieten overkapping, alles heel eenvoudig maar liefdevol. Dat is onze filosofie, zei de zoon van de baas, Vili, toen we gisteren na zes dagen (!) weer vertrokken. Alleen snapt niet iedereen dat. Nou wij wel hoor! riepen we. Het is inderdaad een soort delicaat evenwicht waar je - wij, als toeristen - naar zoekt: je wilt wel de basisgemakken, een gevoel van veiligheid en prviacy, en een vriendelijke service, maar het moet niet te gelikt zijn want dan wordt het onpersoonlijk. De vijf basisgemakken leg ik nog een keer uit. In de badkamer 1 een plankje voor je spullen, 2 wc-papier op een plek waar je bij kunt 3 een droge zone en verder 4 bij het ontbijt meteen koffie en 5 een lamp waar je geen zonnebril bij op hoeft. Eerlijk gezegd was ook bij Aqua Marina aan geen van deze basisvoorwaarden voldaan, maar de rest was zo geweldig dat we er toch met liefde aan terugdenken.


vlore
Vlorë

jet
Aqua Marina

zeester
Zeester

terras
Het terras

akil
Akil


Cross country

Byllis was de bestemming van onze volgende dag, een verlaten stad uit de oudheid op een hoogvlakte ten oosten van Fier Ik had wel gelezen dat het via Fier en Ballst moest maar we wilden het om niet helemaal terug te moeten toch proberen via Vlorë langs de onderkant. Al vrij snel ten oosten van Vlorë werd de weg echter slecht: hobbels en kuilen, losliggende stenen en keien, wolken van stof en zand. Het gaat wel over dachten wij, en reden door. Het ging niet over en je weet hoe dat gaat, met elke kilometer die we verder kwamen, stapvoets en heftig heen en weer schuddend, werd de onwil om terug te gaan natuurlijk groter. Hadden we maar geweten hoe lang het nog zou duren. Op een zeker moment zagen we een soort eindeloze achtbaan voor ons, met golven en kuilen van zeker een meter hoog en diep. We werden heel stil, allebei, als de dood, bekenden we achteraf, dat we op zo'n golf of in een kuil zouden blijven steken. Ik reed heel langzaam en voorzichtig. Toch onze grote verbazing zagen we nu en dan, zo'n beetje elk kwartier, hotsend, schuddend en in een wilde zigzag van links naar rechts een auto uit het stof vandaan komen, om ons te passeren, meestal een 4x4, een keer een vrachtauto en een keer zelfs een bus. Het landschap was mooi, maar ook misbruikt en aangetast, als ik dat zo mag zeggen. Dit is het land van olie en gas maar voor de Albanezen is het klaarblijkelijk onmogelijk dit op een rendabele manier uit de grond te krijgen. We zagen geen reusachtige boorinstallaties maar hier en daar een eenzame roestige jaknikker die piepend en knarsend op en neer ging, zoals je vroeger bij ons in Drente zag. Waar de olie bleef? Ook in de berm zagen we zwarte plakken drijven, overigens zoals een Romeinse geschiedschrijver die dit volgens mij als asphalt noemde. Ik dacht om die reden nog dat het mogelijk zo uit de grond kwam, maar volgens een Hollander die we later ontmoetten (hij reisde met zijn vrouw door de Balkan alsof het aangenomen werk was) was het gewoon vervuiling. De Chinezen zijn met de winning begonnen om het zo weer achter te laten. Moet ik ook weer uitzoeken.
Enfin, dus we hobbelden en zuchtten en zochten nog een flesje water en hobbelden verder. Toen we al zeker anderhalf uur aan het rijden waren zagen we het pickup truckje dat ons stoer stuiterend voorbij gescheurd was, met een lekke band langs de weg, mét een hulpauto, die ons ook al was gepasseerd. Zie je wel, dachten wij, dat krijg je ervan. Het waren Fransen. Kennen jullie de route vroeg ik. Nou kennen kennen, zei een vrouw. Ze wees met haar hoofd naar de band. Na een uur of twee zagen we de brug over de Vjosë waarvandaan het niet meer ver kon zijn. We haalden heel opgelucht adem bij een barretje in Pocem, waar meer auto's stonden. Een man was daar vlees aan het grillen onder een pandeksel van beton, er waren ook bronnen waar mensen water kwamen halen, en vijvers met vis. Zomaar ineens. We wilden het nog proberen via Klos, what's in a name, maar toen we ook daar weer het gehinderde gravel zagen riepen we allebei o nee! En zo eindige ons Byllis-avontuur.


jaknikker
Jaknikker langs de vrijwel onbegaanbare SH100

olie
Olie(vervuiling)

pech
En panne?

geiten
Geiten bij de Vjosë

Pocem
Pocem


We waren het autootje - een Dacia Sandero - zo dankbaar dat hij ons veilig terug had gebracht dat we hem hebben laten wassen bij een van de vele wasstations die je overal ziet (Lavazhi). Het was geweldig om te zien. Vier jongens sprongen een meter in de lucht en wierpen zich erop met een hongerigheid die ik nog nooit in een wasstraat heb gezien. Ik liep achter Jet aan die boodschappen was gaan doen en zag in de verte hoe het water hoog opspatte en een van de mannen met volle kracht een kleed tegen de muur stond te slaan. Toen we tien minuten later terug kwamen stond de motor aan en de airco en radio op volle sterkte. Ze hadden kranten op de vloer gelegd, alles glom en straalde, en een jongen, ik lieg dit niet, spoot nog snel wat schoonmaakmiddel op een band en begon te poetsen. Twee oudere mannen waren erbij op een stoel gaan zitten om van het spektakel te genieten en voor dit hele feest moesten we 300 lek betalen, 2,50 euro.

Woensdag bleven we thuis en heb ik de vorige blog geschreven en gepost terwijl Jet haar strandplezier tot de laatste seconde uitperste en genoot. Af en toe ging ik ook even kijken en zwemmen. Er waren ook een stel Italianen bij die zeeëgeltjes hadden gevangen en zaten uit te lepelen. Voor de spaghetti, zeiden ze. Een van de jongens van Aqua Marina, Niku, had Jet eindelijk voor vier euro een stoel kunnen verkopen en leek een vriend voor het leven geworden. Hoewel ik degene was die hem hielp toen de golven ineens hoger werden en de stoelen met hun kussens in veiligheid moesten worden gebracht, werd Jet ervoor bedankt. Zelfs de volgende dag nog! Of we zussen zijn, wil iedereen van ons weten. Omdat we zo op elkaar lijken zeker...
's Avonds nog een mislukte tocht, naar Orikum en een mislukt etentje in een tent waar een man in traditionele kleding gewoon op de weg ging staan om je tegen te houden. Het hielp dus wel. Jet probeerde voor deze keer schaap en het was echt wel lekker, maar de lucht die achterbleef... Ook ik hoef even niet meer. De jongen die ons bediende was zo zwaar en zo vermoeid, dat hij bijna door zijn knieën ging toen hij het trapje wilde nemen.

In Vlorë

Donderdag waren we gelukkig weer ijverig en effectief. Van het historisch museum (tot voor enkele jaren nog oorlogsmuseum geheten) gingen we naar het etnografisch museum midden in een wijk waar een hek omheen stond omdat deze werd gerenoveerd. Toen naar de Muradi Moskee, gebouwd in 1542 door Sinan die ook de Suleyman Moskee in Istanboel ontwierp. We aarzelden voor de deur maar werden naar binnen gezwaaid door een pseudo-gids. We hoefden geen hoofddoek om, alleen de schoenen uit. Er lag lekker dik tapijt, verder was de moskee erg sober, witgeschilderd, met een poepbruine m'bar. Toen we binnen stonden, kwamen er nog meer vrouwen de moskee in, die hartelijk onze handen schudden. Buiten kwamen we oog in oog met een Roma vrouw, die haar zoontje erop uit stuurde om te bedelen. We zaten op een bankje met een flesje water, dat het jongetje uit onze handen trok. De vrouw was zwanger. Ze had één tand en leek stoned of zwakbegaaf. We vonden het moeilijk om te zien. Even later kwam er een stel jongens van de lokale tv. Ze gingen de man filmen die er al een tijdje nogal geparfumeerd stond te bellen. Deze man was de moefti, zo vertelden ze, een hoge geleerde van de islam. Zo jong! riepen wij. Hij was 34.


moefti
De moefti met de jongens van de lokale tv


Ik ging nog even de moskee in om een Arabische tekst te bekijken. Een jongen die daar stond vertaalde het maar al te grif: 'Gelovigen zullen hier als een vis in het water zijn, maar hypocrieten (ik) als een vogel in een kooi. We troffen het wel weer, want de jongen, nog geen dertig en bijzonder modieus gekleed, bleek de imam van deze moskee, sinds enkele maanden. Het was leuk om met hem te praten, maar niet voor lang. Hij had een zware taak, vertelde hij, want door nalatigheid van zijn voorgangers was het helemaal verkeerd gegaan met de mores de laatste tijd. Als hij nu zei dat vrouwen een hoofddoek moesten dragen en niet op de begane grond mochten komen, werden ze boos. Dat kon natuurlijk niet. Maar, wilde ik zeggen, ben je dan niet blij dat vrouwen zich hier welkom voelen. Hij gaf me geen kans, ging er kennelijk vanuit dat ik als vanzelfsprekend zijn mening zou delen. Die tolerantie zou hij omdraaien, zei hij geruststellend, niet in één keer, maar stap voor stap. Dat ging heus wel lukken.

Zvernec

We gingen terug naar de auto en reden naar Zvernec, het oude klooster op een eilandje dat met een lange loopbrug aan het vasteland verbonden was. Je kon de auto kwijt op een zanderig landje vol afval, erg ongezellig en zeker niet op hordes toeristen berekend. Op het eilandje troffen we een oud Grieks stel begeleid door hun kleinzoon. De vrouw, zo vertelde hij, had hier als klein meisje op het terrein van het klooster gewerkt en een van haar voorzaten van de vrouwelijke lijn had het klooster zelfs helpen bouwen in de zestiende eeuw. Ze had olie meegenomen om in een van de olielamjes te doen, een alternatief voor kaarsjes. Hoe geweldig ze het vond om hier weer te zijn! Ze dankt God, werd steeds enthousiaster en het duurde niet lang of ze stond ons regelrecht te zoenen. Wat zegt ze toch allemaal, vroegen we aan haar kleinzoon. Ze zegt dat ze naar de hel zou gaan om jullie zonden op zich te kunnen nemen. We schrokken ons dood. Maar het was kennelijk lief bedoeld, want ze omarmde en kuste ons nog een keer. Even later kwam er een man naar ons toe die ook al hevig geëmotioneerd raakte door het kleine kerkje, waar hij alle ikonen (opplakikonen) had gekust onder het prevelen van wat wij hoorden als bezwerende woorden. Hij was dokter, zei hij, in Griekenland, maar dit was zijn tweede thuis. Jet had ondertussen een orthodoxe priester gezien, die uit een van de verblijfsgebouwen was gekomen. Een geweldige man, zei de dokter, met een wonderful and clear spirit. Dat laatste vond ik erg mooi en beeldend. Even later kwam de man terug om een vrucht met ons te delen, iets dat we al diverse keren hebben meegemaakt. We vonden het grandioos.


zvernec
Bij het klooster van Zvernec

grieken
De Griekse dame en haar man


Terug in Vlorë bezochten we nog het Museum van onafhankelijkheid. De vrouw die voor ons uitliep om de lichten aan te doen, werd heel enthousiast door het Albanees dat ik sprak (toch zeker 20 woorden). Van het Ministerie van Cultuur mochten we geen foto's maken, zei ze. Maar wel van haar! Wacht even, ze zou het zelf wel even doen. En zo poseerden we voor elke foto en elk met de Albanese vlag geborduurd kleed, tot we er helemaal melig van werden. Het was wel een interessante plek trouwens, want in dit huis was in 1912 door Ismail Qemali en Luigi... de onafhankelijkheid getekend, die niet al te lang zou duren, maar wel een essentiële stap voor het Albaneze nationale bewustzijn was. We zagen schilderijen van een ongelooflijk leeg en dorps Vlorë en foto's van Qemali met zijn familie, maar ook de originele documenten en zelfs de pen waarmee het contract was getekend dat de eerste voorlopige regering installeerde.
We waren nog niet klaar, moesten nog naar de rand van Baba Kuzu, een geologisch interessant verschijnsel met een tekke en een voor ons wat onbegrijpelijke heiligenverering waarvan ik hieronder ter illustratie een foto laat zien.


lucifers
Bij de tekke van Baba Kuzu


Toch naar Byllis

De volgende dag zijn we alsnog naar Byllis gegaan, maar nu via Fier en Ballst en ik kan zeggen: het was magnifiek. Eerst het avontuur van de reis in de plotseling bijna gewelddadig stromende regen, met onweer, die de best goede weg op plaatsen veranderde in een rivier. Op de site kwamen we een andere witte Dacia tegen met twee panische Fransen die de snelweg zochten, verder was er niemand. We liepen door het natte gras langs de twee kilometer lange muur die de Romeinen hadden gebouwd nadat ze de stad van de Billionen hadden ingenomen, de resten van het theater, een basiliek en kathedraal, het grote waterreservoir. Langzamerhand hield het op met regenen en kwam de blauwe lucht terug. We waren op een plateau op een hoogte van 500 meter, rondom ons diepte en verder weg weer hogere bergen, waar nog wat onweer zat. Wat een schitterend uitzicht en speciale gelegenheid om daar alleen te zijn.


byllis
Byllis

yvonne
Mevrouw de reisboekschrijver

jet
Het uitzicht

byllis
De Vjosë vanaf het plateau



Dat was vrijdag, eegisteren. Gisteren was ook prachtig. Na het afscheid van Aqua Marina gingen we eerst alsnog naar Oriko, weer zo'n archeologische vindplaats, gelegen in militair gebied aan de wortel van het nauwelijks toegankelijke schiereiland van Karaburun (Turks voor zwarte cape vanwege zijn donkere bossen en golvende berghellingen) en vergeven van van oud-communistische relieken. We moesten ons paspoort afgeven bij een slagboom en kwamen langs een heel lint van bunkers en barakken. Jet vond de site zelf Bijbels, allemaal olijf- en vijgenbomen, witte rotsen tussen het gras, veel kruiden, en dan die resten uit de oudheid, ook van een Dionysische tempel waar offers werden gebracht. Ik dacht stromen van bloed in de stenen te zien, maar het was er zo vredig als wat, er waren alleen twee jongens, waarvan er een in een boom zat om vijgen te plukken. Ze kwamen naar ons toe om ons er een paar van te geven, zo schattig. Militairen, bleek later. Er liepen ook drie paardjes en een muilezel, waarschijnlijk om het gras kort te houden, het was supermooi. Oja en Jet heeft nog een schildpadje gered, die was erin geslaagd op een steen vast te komen zitten, zijn pootjes draaiden in de lucht, wie weet hoe lang al.

hemmingway
Afscheid van Aqua Marina's Hemmingway

paardjes
Paardjes bij Oriko

schildpadje
Het droogzwemmende schildpadje

bunkers
Bunkers langs het pad naar de site van Oriko

orio 3
Oriko


Ik breek hier, weer abrupt, mijn blog af, omdat ik al bijna de hele dag bezig ben en Jet, die heel geduldig ligt te lezen hier in Sarandë waar we nu zijn, wel een klein beetje naar beweging begint uit te zien, net als ik trouwens. Ik kan het ook heel kort houden: na Oriko kwam een bergdorpje met een verlaten tekke, waar we heen werden gebracht door een stel giechelende pubers. Een oom van een van de jongens hield daar bijen, het was ooit een gewilde toeristische plek, nu in verval, maar nog altijd mooi. De pas bij Himarë, een totale onderdompeling in naaldwoud, wolken uit het niets vandaan waar wij heen gaan, 'met een mysterieus karakter zegt Jet, en die kronkelige kustweg moet je toch ook wel even noemen toch wel gekenmerkt door redelijk eenvoudig toerisme (de kenner herkent haar stijl), de gore overblijfselen uit de communistische tijd, het ruige landschap en de vriendelijkheid' prachtige gezichten op de zee beneden en in bergen in de verten, een klooster, een basiliek, heerlijke geur, regen keiharde regen en golven die over de boeg heen sloegen (van de auto) slapende honden op het opdrogende wegdek. Nee, hij leeft hij leeft! Geluid van krekels, bij Palermo een gek propje land precies zoals ik al geschreven had met een beest van een kasteel erop, dat een soort hippieland bleek te zijn en dan net voor Sarandë langs de weg een enorme laagvlakte met kleinere bergen als puisten erin, iets ruigs, heel ongebruikelijk, ik had zoiets nog nooit gezien. We reden in een klein lintje van auto's naar links naar rechts, dank je google maps, tot voorbij ons hotel, zo een diepte in waar de auto nu staat. Sarandë is de eerste plaats met veel toeristen die we zien, en een duidelijk Griekse atmosfeer.


tekke
De verwaarloosde tekke van Alliut bij Dukat

hoogste punt
Het hoogste punt op de pas van Himarë

oderweg
Onderweg langs de Rivièra

geite

kasteel
Op het kasteel van Ali Pasha Tepelenë 


Hier laat ik het bij voor deze aflevering, lieve lezers. Dank voor jullie aandacht. Ik hoop dat jullie volgend jaar allemaal met een  gloednieuwe Dominicus-reisgids van Albanië (waarin in speels en ritmische zinnen veel informatieve en verantwoorde achtergrondinformatie, ik bedoel niet zo slordig als dit blog)  in je handbagage naar dit geweldige land zullen gaan! Een hartelijke groet van Mariëtte en Yvonne.

Door naar de volgende aflevering
Terug naar het overzicht





Wil je meer weten over mijn andere werk? Ga naar de homepage van mijn site



Tekstbureau OpSchrift
Yvonne van Osch
Binnenkadijk 117, 1018 ZE Amsterdam
opschrift@tip.nl | 06-37313100