logo albanieblog



deel 2    Krujë en Elbasan



Woensdag 23/5/18 O yesyesyes

Ik ben hier nu een week en het lijkt wel een maand (hoe vaak heb ik dit in mijn leven al niet geschreven?). Albanië is mooi, vind ik, rijk en intensief. Ontroerend, lief, verbazend en zorgelijk... alles tegelijk. Ik zit op de rand van een bed in de citadel van Krujë, hoor buiten hanen, honden, balkende ezels en mannen die schreeuwen of gewoon praten, dat weet je nooit. Net ging ik naar het terrasje, een fantastisch stuk rots aan de noordkant van de citadel, aangesmeerd met wat kleinere rotsblokjes, van verschillende niveaus en graden van schuinte, het was een genot om op mijn blote voeten te lopen en de warme oude stenen te voelen. Ik vroeg om nog een koffie bij het piepkleine barretje van Emilliano Rooms, dit schattige familiehotel, maar in plaats van het me te geven, stond de vrouw des huizes, Durata, erop het achter me aan te brengen. Waar ik heen zou gaan? Ik vertelde het. O yesyesyes, zei ze, breed lachend. Zo doen meer mensen het hier. Iets vragen en dan niet luisteren naar het antwoord maar breed lachen en instemmende woorden uiten. Het gaat om het contact denk ik, niet de informatie. Je zou er beledigd om kunnen zijn, maar het geeft ergens ook een goed gevoel. Je bent welkom, welke informatie en welk verleden je ook meebrengt. Ze hebben aan hun eigen verleden genoeg, denk ik. Als je langer met mensen praat, kom je snel bij de pijn. Zelfs jonge mensen, heb ik ontdekt, torsen de loodzware last van de geschiedenis. Om van het heden maar te zwijgen.


duratatoren
Durata en de toren

bazaar
De bazaar

toren
De toren en Emilliano Rooms


Ik was blij dat ik de rugzak van Susan (mijn zusje) in het Star Hotel had gelaten en met een klein rugzakje op pad was gegaan, want het was de hele tijd een geprop, met de stadsbus Kamez naar de busterminal bij het plein van Zog, daar in een minibusje naar Fushë-Krujë en dan weer in een ander minibusje omhoog naar Krujë. De busjes zijn niet van de meest geavanceerde soorten, ze hobbelen en stommelen als gekken, maar veren wel goed, wat ook wel moet omdat er hier volgens mij geen weg zonder kuilen is. Sommige stoelen hangen helemaal uit hun voegen achterover, en mensen zijn dan zo vriendelijk om rechtop te blijven zitten, zodat degene achter hen er geen last van heeft. Ik zat op het laatste stukje klem tussen twee mannen op de achterbank en vond het allemaal prima, omdat ik een windje voelde door de open ramen en de frisse lucht van een bos en de hoogte.

Omdat ik vorig jaar met mijn vriendinnen al in Krujë ben geweest, wist ik ongeveer waar ik heen ging. Toch zag de aanloop er heel anders uit dan in mijn herinnering, de straten lagen behoorlijk overhoop. Niet de oude bazaar natuurlijk, gestold in de tijd, een sliert van piepkleine winkeltjes aan weerszijden van het eeuwenoude keienstraatje, en de majesteitelijke ingang naar de citadel. Emilliano Rooms ligt praktisch naast de toren van het kasteel, op het hoogste stuk van deze uitstekende rots. De toren vormde in de tijd van Skanderbeg samen met de kastelen van onder andere Petrelë en Berat een schakel in een systeem van communicatie met vuur.

Ik 'deed' meteen maar het Kasteel, drie verdiepingen heraldiek en helderverering waar een heleboel scholieren druk waren zichzelf te fotograferen en ik vooral om foto's te maken zonder scholieren erop.


asteelhelm
Het Skanderbegmuseum, rechts zijn helm


Daarna dwaalde ik tussen de ruïnes door naar het veel mooiere en compleet verlaten etnografisch museum waar we vorig jaar ook zijn geweest, in het achttiende eeuwse huis van de familie Toptani, waarvan veel vertrekken gewoon onveranderd zijn gebleven. Een lieve mevrouw liep met een stofdoekje voor me uit langs alle kamers rond een halfopen binnenplaats, deed overal het licht aan en nodigde me dan met een sierlijk gebaar uit naar binnen te gaan. Haar uitleg volgde een-op-een die van de informatiebordjes: kitchen, sleeping-room, room where olives were pressed, rooms where the women served the men (giecheltje).


olijvenkast
Het etnografisch museum


What can you do

Toen ik daarna op zoek ging naar de tekke, kwam ik een man tegen wiens gezicht ik nog kende van vorig jaar. Xeni heette hij, hij maaide het gras van de citadel vertelde hij, hield de tekke schoon, verzorgde de bloemen, gaf informatie aan wie het maar wilde. We liepen samen wat rond en het was heel gezellig, hij liet me van alles zien: de conversatieruimte van de tekke, waar hij weleens jongelui betrapt, de hammam, een 700 jaar oude eik op de helling aan de westkant, een tweede, zeer smalle poort van de citadel, waar maar één persoon tegelijk in of uitkon, oude huisjes van mensen die er nog woonden.


boomtekke
De oude olijfboom en de tekke


Xeni vertelde dat hij als zestienjarige naar Italië was gegaan, illegaal op een boot, in 1997, toen de hel in Albanië was losgebroken ivm de piramidefondsen waar de Albanezen massaal in hadden geïnvesteerd, om erachter te komen dat ze er niets van terug zouden zien. Hij had keihard gewerkt: als paardentrainer in Livorno en in Sienna, als houtzager en -sjouwer, in de bouw. In Rome, Rimini, Napels. Toen zijn moeder gestorven was, was hij naar Krujë teruggekomen en toen was, vijf jaar geleden, ook zijn broer gestorven. Hij deelde nu het huis met zijn schoonzuster die met vier kinderen was achtergebleven. Een vrolijk verhaal was het allerminst, integendeel, langzamerhand werd steeds duidelijker in wat voor afgrijselijke situatie hij zat. En tot overmaat van ramp had iemand vorige week zijn draadmaaier gestolen, zijn laatste hoop op een beetje geld, want al kreeg hij dan niet betaald voor het maaien van de citadel, mensen zagen het hem wel doen en nodigden hem uit de tuin te doen..... schouderophalen: What can you do? zei hij maar weer, een kreet die ik hier al vaker heb gehoord.


xeni
Xeni


Of ik naar de tekke in de grot van Sari Salltik wilde en naar Shafë-Shtamë, het park in de bergen? Xeni had connecties, een politieman die bijverdiende als taxichauffeur. Ik wilde graag maar aarzelde. Twee mannen, hoe wist ik of ze te vertrouwen waren? Toen ik het Xeni zei keek hij verbaasd en gekwetst, wat ik een goed teken vond, en toen ik zijn interactie met de ander zag, niet de politieman maar diens zoon, Andri, wist ik dat het wel goed zat. Andri reed in een oude Mercedes, waar hij erg trots op was, het was een kwartier naar de grot. Hier zou de legendarisch baba in de 13de eeuw hebben verbleven om goede dingen voor de bewoners van Krujë te doen. Het rook er vissig, binnen brandden stompjes kaarsen, op een stenen platformpje, buiten de tekke maar wel in de grot, stonden groene plastic potten met bloemen. Xeni vertelde van een legende van een draak die de baba met zijn handen zou hebben gedood. Hahaha, zei ik, wat een fantasie. But it's true! riep hij.

planten
Bij de tekke van Sari Sallti


Even verderop, in Dush Kau, aten we een bordje geit, en toen liet ik me overhalen om niet morgen maar meteen al die avond naar Schafë-Shtamë te gaan nu het zo helder was. De weg was goed, maar toch niet overal, sommige stukken waren stenig, in reparatie, en hier en daar waren er regelrechte verzakkingen waardoor er hoogteverschillen waren van wel een halve meter. Het kwam door aardbevingen en verzadiging van de berg, zeiden ze. In vond het een wonder dat het asfalt niet gebroken was. Zouden ze er rubber in hebben gedaan? Ik heb gelezen van moerasgebieden in Albanië waar in de Romeinse tijd al over asfalt werd gepraat, daarmee bedoelde ze natuurlijk materiaal uit de bodem dat ze in de rivier zagen drijven. Door ontsnappend gas kwamen daar ook regelmatig spontane branden voor. Mensen dachten dat er geesten waren, ze noemden de gebieden nimfaneum (of zoiets, ik ben te lui om het op te zoeken).

Halverwege naar Shafë-Shtamë kwamen we vier vijf reusachtige opslagtanks tegen, een ervan scheefgezakt vanwege weggetrokken platen. Diesel had er in gezeten, vertelde Xeni, voor de militaire voertuigen van de communisten. Spoken uit de oude tijd.


roest
Dieselopslagtanks uit communistische tijd


We reden denk ik wel drie kwartier, bergen aan de ene kant, de kloof van de Drojë aan de andere kant, een machtig gezicht. Boven was het wel weer anders dan ik had verwacht. Was dit het lustoord dat ze hadden beloofd? Een paar oude barakken die half waren ingestort en één hotel waar iemand in schel ledlicht wat stond te prutsen, een oude bulldozer, veel stenen. Speciaal was het wel, en het rook fantastisch, maar mooi... wat zal ik zeggen. Ik kon nog net een paar foto's maken in het laatste zonlicht, toen moesten we snel naar beneden om voor het donker terug te zijn, wat ik graag wilde. Andri kreeg steeds meer praatjes. Een modern geklede, studerende jongeman, maar hij vond wel dat vrouwen in de keuken moesten enzo. Wat ik van zijn rijden vond, vroeg hij steeds. Ik moest toegeven dat hij dat erg goed deed en om een uur of negen was ik terug in mijn hotel, waar ik in het donker een biertje dronk op het geweldige terras.


geiten
Onderweg

pas
Shafë-Shtamë


De draadmaaier

De volgende dag ben ik gaan lunchen bij mijn nieuwe vriend Xeni en brak mijn hart toen ik de gribus zag waar hij woonde. Alles van zijn moeder stond er nog, tot en met de schoenen en potjes nagellak, het plafond van het keukentje droop van vocht en de bovenverdieping was een soort hangmat, zijn klerenkast stond scheef omdat er een kuil in de vloer was, het was wachten, gaf hij toe, tot hij er doorheen zou zakken. En dan? What can you do? Tot overmaat van ramp zou 's middags de electra worden afgesloten omdat hij drie maanden achterstand had...
Overal leven mensen zo, dacht ik, en zie je het niet. Maar nu was ik hier en zag ik het wel. Ik kon het gewoon niet verdragen dat iemand het laatste van waarde dat hij had, zijn maaier, had gestolen, en om een lang verhaal langs diverse stadia en personen in het verhaal kort te maken, kwam het erop neer dat we de rest van de middag bezig zijn geweest een goede nieuwe draadmaaier te vinden. Hij kwam woorden tekort, Xeni, toen hij hem in zijn handen had, de beste die er was, voor 20.000 lek (160 euro), een vermogen voor hem, voor mij een paar keer uit eten. Ik heb er geen spijt van, integendeel, ik verlustig me bij het idee dat een heel zachtaardig iemand door mijn toedoen op de citadel van Krujë zielsgelukkig het gras loopt te maaien.


xeni
Xeni in zijn keuken


In Fushë-Krujë namen we afscheid, toen ging ik weer in zo'n busje. Het had 's middag keihard gehageld, en het regende nu ook de hele tijd maar ik vond het heerlijk want het is een gezweet hier niet normaal meer. In de stadsbus wilde tot drie keer toe iemand voor me opstaan, de derde keer heb ik maar toegegeven om ervan af te zijn, het is wel iets heel opvallends dat de mannen hier zo beleefd zijn, of geïnteresseerd, of weet ik veel wat, en best een verrassing omdat ik in Holland al zo'n vijftien jaar voor onbekenden zo goed als onzichtbaar ben, maar ook wel wat vermoeiend. Vandaag blijf ik de hele dag in mijn hotel om alles op te schrijven.

Vrijdag, 25 mei 2018

Vandaag ben ik naar Elbasan gekomen met een soort touringcar. Op de achterbank zat een donkere man met heel vies haar, gekleed in vodden, met het schattigst denkbare jongetje. Hij was denk ik een jaar of drie, zat vol snot en alles aan hem was zwart van viezigheid, maar die ogen... Hij zat heel lief en rustig een zakje zoutjes te eten, de meeste tijd keek hij enthousiast naar buiten, nu en dan legde hij zijn hoofd tegen de mouw van zijn vader. Later zag ik de vader hetzelfde doen bij hem. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden, mijn vingers jeukten om een paar vochtige doekjes uit mijn tas te halen. Maar ik durfde niet en wat zou het uitmaken? De bus liep langzaam vol op de terminal en ik zag mensen letterlijk terugdeinzen voor het stel, ze propten zich liever naast een ander dan ook maar in de buurt te komen. Toch gebeurde er iets ontroerends. Een groepje jongens van een jaar of zestien kwam binnen, ze gingen zonder omhaal zitten en de jongen die naast de man met zijn zoontje zat begon heel lief met het jongetje te praten, aaide over zijn hoofd en gaf hem een munt. Wonderbaarlijk. Zoiets zag ik gisteren ook in het winkelcentrum bij Arber, daar zit een vrouw met een verband om haar hoofd de hele dag met uitgestoken hand (in een plastic handschoen) en gebogen hoofd. Verschopt, denk je, uitgekotst door de hele stad, en bleef een vrouw met een schort voor stilstaan voor haar en begon gewoon een praatje. Ik zag toen trouwens ook dat ze een mooi en gaaf gezicht had, de bedelaarster.
In een buitenwijk van Elbasan stapten ze uit, de man en het jongetje. Er kwam een grote trommel uit de bagageruimte, dat doen de Roma hier, trommelend door de straten. Af en toe slaan ze een paar keer heel landerig op het ding en steken hun hand uit. In Tirana kwam een meisje zelfs zonder trommelen naar me toe in Oda. Ja zeg, zei ik, en ze begreep het meteen, sloeg een paar keer en hield haar hand opnieuw op. En een andere keer heb ik een jongetje echt provocerend op de stoep van een winkel zien staan trommelen. Wat hij daarmee uitdrukte, ik meende de eeuwen van verworpenheid erin te horen, maar ja, ik hoor zoveel hè. Toch is het al met al best verwarrend, al die indrukken en gedachten.

Wat overheerst: de verbazing dat mensen zo aardig zijn hier. Vanmiddag ging ik naar de oude stad en zag ik zo'n oud vrouwtje in het zwart op een stoepje. Ze had bosjes dille liggen en ik dacht ik koop er een, dan mag ik vast wel een foto maken.... wilde ze niet dat ik zou betalen. Ze wilde wel op de foto, ging er zelfs goed voor zitten. Een andere vrouw nodigde me uit haar nieuwe restaurant te komen bekijken, twee jonge moslima's stonden stil om een praatje te maken, een andere vrouw nam me mee naar een kerkje, een fruitverkoopster aan wie ik water vroeg gaf me een flesje van zichzelf cadeau, enzovoort. Ik at gevulde aubergines bij Real Scampis, vond het prachtige kerkje in de oude stad, liep en zweette en zweette en liep. In een parkje zaten mannen domino te spelen op een omgekeerde kartonnen doos, het etnografisch museum was al dicht, wat mij weer van een plicht ontsloeg.


staddame
De oude stad van Elbasan en mijn vriendin

moslima's
Net uit de moskee

kerkje
Het kerkje van Shën Maria

park
Een zwerver, met een jas aan!



Ik slaap hier in Hotel le Olive, een mooi hotel op een heuvel aan de westkant van Elbasan net over de
rivier. Ze doen echt hun best er iets van te maken, met Griekse beelden en een groot terras met uitzicht over de stad, maar geloof het of niet, iemand heeft het gepresteerd om pal voor dat terras een huis te bouwen dat nog net even hoger is, pal in het uitzicht en nog geen tien meter van het terras. Het huis is niet eens af ook, de bouw ligt al tien jaar stil, recht voor hun gezicht. What can you do?

Later vertelt de jonge manager Daniel me dat ze een vijfsterrenhotel van Le Olive willen maken omdat ze dan geen belasting meer betalen. Zijn moeder is Italiaanse, hij is geboren in Napels, en pas 23. Op zijn 8ste zijn ze naar Albanië gekomen, omdat het hier beter was. Echt? vroeg ik. Ja, als je wat geld hebt en ondernemend bent, zie hij, kun je hier alles. Je betaalt 20% belasting en verder laat iedereen je lekker met rust. Ik geloof het ook, heb niet het idee dat er vreselijk veel bueaucratie is hier, meer dat de mensen niet met ondernemingszin zijn opgegroeid en de kansen niet zien liggen. Het meest verbaasd was ik nog dat de wat norse en nerveuze zeeman (zeeman, hoezo? Ik weet het zelf niet, een tattoo denk ik van een anker) die ik had zien zitten, Daniels vader was en het hotel had gebouwd. De eetzaal is de mooiste die ik tot nu toe in Albanië heb gezien.

Zaterdag, 26 mei 2018 Valse start

Toen ik vanmorgen die eetzaal binnenkwam, zag ik tot mijn verrassing vier toeristen aan een tafeltje zitten. Goodmorning, zeiden ze, maar ik zag het bij de eerste oogopslag: Hollanders. Ze bleken zelfs uit Amsterdam te komen en nog sterker: ik wist zeker dat ik in ieder geval een van hen kende. Martijn heette hij, was iets jonger dan ik denk ik, en woonde in de Pijp. Of ik bridgete. Nee, wel veel kraken vroeger, zei ik, in Café Quibus, met de schakers. Of ik Ronald Post dan kende, vroeg hij. En toen waren we er al uit! Ze kenden Frans ook, mijn vriend van toen. Ja hoor, we vinden elkaar over de hele wereld. En dan te bedenken dat zij zo'n beetje de eerste toeristen zijn die ik in Albanië ontmoet! Ze waren bezig met de Via Egnatia, de handelsroute uit de Romeinse tijd die eeuwenlang de hotline tussen zee en Constantinopel was, waar net een mooie gids over is verschenen. Twee van hen, Piet en Marianne, zouden tot het meer van Ohrid lopen, de andere twee, Martijn en Jolanda, zelfs tot Thessaloniki. Chapeau!


eetzaal
De eetzaal van Le Olive

amsterdammers
De Amsterdammers vlnr Martijn, Piet, Jolanda en Marianne


Toen ze vertrokken waren, vroeg ik Daniel of ik ergens een fiets kon huren, en het duurde nog geen tien minuten of hij kwam er met eentje aanzetten, gratis zei hij, van een bekende. Het was een ouderwetse racefiets, ik voelde me er niet erg veilig op, om van het woord bevallig maar helemaal niet te spreken, maar ging toch, voorzichtig, rugzak met water achterop, en eerst helemaal verkeerd (kijk dan op je kompas!). De goede weg was de weg waar de markt was, een eindeloze sliert kraampjes en mensen onder parasols, met groenten en kruiden, noten, vruchten en bonen, boterkuipen, manden, kippen en kalkoenen half dood op een stuk karton, auto-onderdelen, een pandemonium, maar prachtig!

vrouwen
Kruidenverkoopsters

auto

kippen
Kippen en kalkoenen voor de soep


Ik vond de afslag naar Shelcan, waar ik heen wilde vanwege het kerkje, een must volgens Gloyer voor iedereen die ook maar enigszins geïnteresseerd is in religieuze kunst. De weg was te steil voor de fiets waarmee ik niet durfde te schakelen en mijn zadelpen zakte in zijn houder (zou ik te zwaar zijn?). Het volgende was dat het zadel ook nog begon te draaien. Ik stapte af om de schade te bekijken en toen hoorde ik een claxon en zag ik een klein rood autootje voorbijkomen... vol Amsterdammers! Hé riep ik, dat hadden we niet afgesproken! Ze schaamden zich wel een beetje, geloof ik. En terecht! Jolanda, Martijn, Marianne en Piet, als jullie dit lezen: geen gesmokkel meer, gewoon wandelen!
Later app Jolanda dat ze een valse start hadden, eerst vijf kilometer de verkeerde kant opgelopen (net als ik op de fiets), dus toen maar een taxi genomen, ehm ja dat begrijp ik, maar ik vond het zo lekker om te schrijven hoe beschaamd ze waren, dat ik het maar laat staan.

Ik fietste elke keer een stukje en ging dan weer lopen, op mijn sandalen, en ik bleef maar kijken of ik in de berm iets van een busje kon vinden dat ik om de zadelpen heen kon doen. Na een uur of zo kwam ik bij een garage waar een jongen toch wel zo'n twintig minuten aan het prutsen was om het voor elkaar te krijgen, maar hij wilde geen geld. Ik fietste en liep nog zo'n drie kwartier verder en toen ik op maps keek zag ik dat ik nog maar net over de helft was. Nee, dit ging niet zo, dacht ik, en liet me terugrollen tot Elbasan. Ongelooflijk, heb ik dit gelopen? dacht ik, ik herkende de helft niet meer. Maar het was schitterend, een schitterend landschap, heel gevarieerd, met olijven op terrassen, dichtbegroeide stukken en open grashellingen, waar vrouwen keihard aan het ploeteren waren met hooi. Herders ook, mannen en vrouwen, met een paar geiten, en zelfs een met één koe, ezels, paarden en wagens, superexotisch.

hooiengrassen
Op het land

vissen
Op de Shkumbin

bord
Onderweg


Ik moest wat eten dus besloot terug te gaan naar het restaurant waar die aardige vrouw me gisteren had rondgeleid. N'fole heette het (nestje), en het was die avond ervoor geopend. Nu hingen er allemaal paraplu's bij wijze van zonwering, wat een waanzinnig vrolijk gezicht was. Ik was alleen en kreeg een mooi bord geroosterde groente en dolma's (ze heten hier anders maar ik ben vergeten hoe) met een heerlijk glas wijn. Mijn fiets mocht daar blijven staan en... ook hier mocht ik niet betalen, gewoon niets.


nfole

vera en teddy, van n'fole
Vera en teddy, van N'fole


Een geploeter was het wel om naar Shelcan te komen en de fresco's van Onufri te zien, maar het is toch gelukt, in een snik- en snikhete bus weer klem op de achterbank, rugzakje op schoot. Ik had gedacht dat het een dorpje was, maar het was gewoon een keienpad de bergen in, tussen een paar huizen door. Is dit het? Teleurstelling toen ik er was, een klein kerkje met kippen, en nog dicht ook. Ik liep eromheen en probeerde tussen het gaas door naar binnen te kijken, zag een voorportaal met een paar ikonen. Ik was alweer op de terugweg toen het jongetje me riep dat me eerder al tegemoet gekomen was. Hij had een man met een sleutel gehaald. Die liet me binnen. Ik liep het voorportaal door de kerk in en toen, ja toen viel mijn mond wel een beetje open, de muren waren van onder tot boven beschilderd: heiligen, symbolen, sierbanden, Sint Niklaas, de heilige drie-eenheid, de apostelen. Op het achterste stuk, achter een gordijn, was zelfs te zien hoe wat pleisterwerk van de muur was gevallen en een nog oudere fresco had onthuld! Over alles lag het patina der eeuwen, net als in Janum. Een ervaring.
Ik had er wel even alleen willen zijn, maar ze bleven maar kijken hoe ik keek, de man en het jongetje, en dan kijk je toch minder goed. Toen ik weg wilde gaan, gaf ik de man 150 lek. Hij protesteerde en omdat ik even heel idioot dacht dat hij het eigenlijk niet aan wilde nemen, zei ik: voor het kerkje! Ja, voor het kerkje voor het kerkje, zoiets zei hij, mijn dit of dat! Hij wilde vijfhonderd, zei het jongetje. O, zei ik, oké. Ik wist dat het teveel was aangezien je voor de grote musea in Tirana maar 200 betaalt maar ik wilde geen ruzie. De man was de eerste in heel Albanië die ik lelijk had zien doen. Ik vond het wel even een smetje, maar er was een hoop compensatie voorhanden, want wat was het mooi, het kerkje, maar ook het landschap, al die herderlijkheid, de houten hekjes, de dieren overal, arm maar vredig.


gaas
De ingang van het kerkje van Sint Niklaas

fresco
Zestiende eeuwse fresco's van Onufri

hekje
Kijk...


Terug op de weg kon ik haast niet meer lopen op die sandalen. Ik ging op een randje zitten wachten tot er een bus zou komen maar er was zo weinig verkeer, dat ik het niet kon laten mijn hand op te steken toen er een oude Mercedes aan kwam rijden. De bestuurder schudde zijn vinger van nee, maar ik zag dat hij even verderop stopte en terug begon te rijden, een heel bekend beeld van vroeger. De deur ging open, op de achterbank zat een vrouw en dan was er ook nog een neef. Beter kon het niet. Ze gingen niet tot Elbasan maar wel een stukje verder, namelijk tot een barretje. Het barretje bleek van hen te zijn, ze woonden daarachter, en in het barretje werkte een van hun drie dochters, en ze sprak Engels, zo lieten weten, eerlijk waar bijna in tranen van trots. Ze hielden niet op te zeggen hoe graag ze mensen uit het buitenland ontmoetten en vooral de neef stelde de ene vraag na de andere. Hoe lang ik hier was, of het mijn eerste keer was, of ik alleen was, hoe lang ik nog bleef, wat ik ervan vond. Laatst hoorde ik mezelf thuis ook een keer aan iemand vragen of het zijn eerste keer in NL was, toen riep ik inwendig, je doet het zelf ook! Waarom vraag je dat, wat maakt dat nou uit hoe vaak iemand ergens geweest is?
Ik kreeg een raki en chips en kersen en toen de bus kwam en de hele familie opstoof om me uit te zwaaien gaf de neef me een grote pot vruchten... lief, heel handig ook als je reist met een rugzak.


familie
De trotse familie


Het is nu tien over acht en ik hoor de imam in de verte in de oude stad van Elbasan. Het klinkt niet dwingend maar vragend en bij vlagen bijna teder, heel mooi. Daarmee besluit ik deze aflevering. Wil je reageren, stuur dan een mailtje, appje of rooksignaal.

Terug naar het overzicht
Naar de volgende aflevering




Wil je meer weten over mijn andere werk? Ga naar de homepage van mijn site



Tekstbureau OpSchrift
Yvonne van Osch
Binnenkadijk 117, 1018 ZE Amsterdam
opschrift@tip.nl | 06-37313100