logo albanieblog



deel 14 Theth


Het gezellige wat knetterende geluidje dat ik toeschreef aan iets elektrisch' buiten mijn zicht, bleek uit het hout van het bed te komen, in hostel Pemaj in Shkodër. Wormen? Boktor? Inderdaad, bleek later. Echte knagers, alleen in dit soort hout, bewerkt en al.
Ik ging al om half zeven ontbijten omdat een busje me rond half acht op zou halen. Margaretha, de moeder van David, had zich vreselijk uitgesloofd, ik zag twee bladerdeegdingen, brood, vijgenjam, eieren, kaas, worstjes, een gehaktballetje en nog wat en toen ik van alles een hapje had genomen zat ik propvol. Bon appetit zeggen ze hier de hele tijd, ook als je al klaar bent met eten, zo lief, en niets is ze teveel, David kwam notabene gisteren op zijn 24ste verjaardag nog speciaal naar me toe om te vragen of alles goed was gegaan. Hij wilde geen geld voor de fiets, omdat ik pijn in mijn benen had. Hij ging trouwens ook mee in het busje naar Theth, dat al redelijk vol zat met toeristen, we haalden zijn vriendin op en nog wat andere mensen, waaronder twee Hollanders die ik al in het vlietuig had gezien, Edith en Frans. We zaten druk te kletsen op de achterbank, het was heel gemoedelijk, tot na Bogë het klimmen begon en het asfalt ophield. De chauffeur was nogal een opgewonden standje, zat aan één stuk door te toeteren, wilde voor niemand opzij, een soort geplaag van chauffeurs onder elkaar, bleek later (hij deed het werk al twintig jaar...). Hij werd trouwens constant gebeld, stuurde gewoon met een hand door langs kloven en ravijnen, Edith naast mij werd stiller en stiller naarmate we hoger kwamen.


onderweg
In het vlakke land ten noorden van Shkodër

bergen
Bouwactiviteiten

bergen
De bergen bij Theth

bergen

bij de pas
Bij de pas van Thores

david
David en zijn vriendin


Zo'n half uur na Bogë kwam de mythische bergen van Theth in beeld, in het land van de bloedwraak, de opsluittorens en de gezworen maagden waarover ik al zoveel gelezen heb, die koele, stille, grijze, afstandelijke wand van rotsen. Het blijft tot iets magnifieks en onbeschrijfelijks, zo'n hooggebergte, we zaten met open monden naar buiten te kijken.
De chauffeur zette iedereen af bij zijn hostel, mij het laatst, want ik was het verste weg, in een traditioneel stenen huis met houten dak een stuk omhoog van de rivier, Bujtina Leke Gerla, met een flink stuk land, een maïsveld, twee koeien en twee afdakjes met stoere banken en tafels. Een vrolijk stel moeder Vera en haar 18-jarige dochter Jolanda, ontving mij. Glaasje water, glaasje bier, ik moest het maar zeggen. Er kwam een oude man met heel grote zwarte handen een raki drinken, hij bood me een doosje tabak aan, ik rolde een sigaret, bravo zei Vera, de gastvrouw. De kamer is helemaal van hout, plafond, vloeren, bedden, alles, helemaal goed, maar heel gek, behalve de bedden is er niets, geen kastje, stoeltje, tafeltje, geen gordijnen, zelfs geen lampekap om het kale peertje. De elektriciteit doet het trouwens ook niet, dus ik zit hier enigszins gepresseerd te schrijven voordat mijn batterij leeg is, wat jullie misschien wel prettig vinden, want dan wordt het niet weer zo'n heel verhaal. Om half twee werd de lunch geserveerd, sla, gegrilde paprika's, brood en een karbonaadje, alles van dichtbij en supervers, en het lekkerste wat ik tot nu toe in Albanië heb gegeten. Daarna ben ik even naar het kerkje gelopen en heb er honderd foto's van gemaakt om te kijken of die ene die je op alle reisgidsen ziet erbij zou zitten, maar nee hoor, al ben ik de honderdduizendste die het kerkje fotografeert, ook mijn foto's zijn helemaal uniek.


vera
Vera met een dorpsbewoner

leke gerlauitzicht
Bij Leke Gerla en mijn uitzicht naar het noorden

dal
De oever van de Theth, met uitzicht op de Maja Jezercë (die neus)

boom

camping
In het dal

dal

dal
Het kerkje

kerk
Het kerkje

Het dal was niet de maagdelijke groene weide die ik me had voorgesteld, maar eigenlijk een rommeltje van stukjes bouwland en stoffige rotspaden waar om de haverklap een off-road auto voorbij kwam in wolken van stof en zand, veel troepjes ook en onaf werk zoals overal, maar toch. Nu ben ik in Theth, dacht ik bijna wat ontroerd, de hoofdbestemming van deze reis. Het is zes uur, het wordt al wat donker en ik heb geen licht. 
'De avond valt snel in de bergen, en de nacht is stil en duister. Misschien ben je bang. Maar je moet erheen.' Zoiets had ik geschreven in mijn stukje over het leven in de bergen voor mijn boek. Misschien iets te poëtisch voor een reisgids, maar ik vind het toch treffend, en ik kreeg bijna een idee wat ik zelf bedoelde toen de lucht ineens heel donker werd en ik onweer hoorde in de verte. De hele tijd, moet ik eerlijk zeggen, al sinds ik terugben van de vorige keer, heb ik het gevoel gehad dat er iets boven mijn hoofd hing, iets in de sfeer van natuurgeweld of onherstelbare stommiteit. Een paar keer heb ik al gedacht: zie je wel, daar heb je het. Maar je had het daar niet, het viel elke keer mee. Het zal wel gewone angst zijn, vermomd als onheil.

Zondag, 15 spetember 2018
De avond was gevallen, ik had mijn handige hoofdlampje al tevoorschijn gehaald, om zeven uur kreeg ik nog een keer het heerlijkste eten (onvoorstelbaar wat de ene tomaat of aubergine van de andere kan verschillen!) en toen deed de man van Vera de generator aan en was er licht en ook een hoop lawaai. Behalve mij waren er drie jonge mensen uit Berlijn en twee uit Polen. Je zag direct de Berliners naar boven snellen om alle leeglopende apparaten aan het infuus te leggen. Om een uur of negen echter gaf ook de generator het op, na wat moedeloos gesputter. Ik ging nog even naar buiten om de nacht te bekijken. In het zuiden, vrij laag aan de hemel, zag ik een grote gele stip. Mars, een sateliet? Goede vraag voor een plek waar ook geen wifi was. Er bleef niet veel over dan maar te gaan slapen en ik moet zeggen, met de ramen open en een windje langs mijn hoofd, dat het eigenlijk heel goed ging en ook totaal geen straf was.
Ik had nog een leuk gesprek met de Polen, Dominique en Adam. Beiden werken in een supermarktmagazijn, de een in Tilburg, de ander in Waalijk. Ze zouden naar Valbona lopen en daarvandaan, als ze tenminste een permit konden krijgen, door naar Kosovo. Keiharde hikers: vorig jaar hebben ze een maand door Lapland getrokken zonder een mens te zien, met alles voor onderweg op hun rug. Dat waren de dingen waar ze van hielden. We hadden het natuurlijk over de Polen in Nederland, de werkomstandigheden en vormen van uitbuiterij, maar daarna vertelde Dominique iets waar ik geen idee van had: dat meer dan de helft van de jongens die in Nederland komen werken er niet op uit is om geld te verdienen en weer terug te gaan, maar om met het geld drugs te gebruiken en de festivals af te gaan om wild te feesten.


dominique
Dominique en Adam

meisjegeiten
In het dorpje

rivier
In de rivier

geiten
Door de rivier

jolanda
Jolanda

geiten
Langs de rivier


Na het ontbijt ben ik naar de kulla gegaan, de opsluittoren. Hier konden mannen vroeger een tijd schuilen wanneer zij het doelwit waren van bloedwraak, terwijl onderwijl iemand probeerde te bemiddelen met de familie van degene die uit was op wraak. Een groep van dertig Slovenen, de een nog serieuzer dan de ander, verstoorde enigszins mijn gelukje, en ook later, toen ik net was gevlucht van een groep Finnen bij de waterval waar ik naartoe gelopen was, kwamen ze vrij militant langsmarcheren met hun goretex, hoeden en fibersticks. Sinds onze ontmoeting met een zekere heer Prapotnik koester ik een zekere achterdocht jegens de Slovenen, waar ik me hier prima mee kon voeden.


kulla
De benedenverdieping van de opsluittoren

landschap
Het dal in de morgen, naar het noorden

kampingvrouw
De uitbaatster van een camping, die eigenlijk 200 lek wilde voor de foto. Toen ik weigerde zei ze heel goed heel goed heel goed dankjewel dankjewel dankjewel

waterval
De waterval


Weer een fantastische lunch, met salade, geroosterde aubergines en paprika's zuurkoolsla, vers brood en een lokale specialiteit genaamd maz djathit Thethe, kaas en maïs. Met wijn uit eigen tuin. Hierna ging ik de flanken van het dorpje in, waar de kleinste paadjes langs huizen gaan en stukje bouw- en graasland die met houten overstapjes voor het vee zijn afgesloten. Het is op veel plaatsen schilderachtig, met hooiopers, houten hekjes en loslopende kippen, maar zo primitief en geïsoloeerd, dat je het er benauwd van zou krijgen. In een tuintje zag ik een traditioneel geklede vrouw twee koeien het landje in jagen, waar het kaal was op wat droge maïskolven na. Ze begon meteen druiven te plukken toen ze me zag en kwam naar het hekje toe, waar ik alweer aan mijn camera stond te frummelen in de hoop mijn Mooie mensen van Theth-portret te maken. Ik vond het weer heel vreselijk dat ik niet iets meer van de taal sprak, ondanks dapper proberen, kwam niet veel verder dan shumë e bukur, heel mooi, en ku është burri, waar is man? Op de laatste vraag boog ze zich voorover en maakte met een ongelukkig gezicht een gebaar van drinken. Raki? vroeg ik. Po, raki, zei ze, zelf gemaakt. Ze leek zo eenzaam, daar op dat landje, zo van alles en iedereen verlaten. Maar toch zo onverwoestbaar. Of hij sloeg, vroeg ik met een gebaar. Nou nee, dat niet direct, misschien een beetje. Of ze bang was? Bang? Kom nou, ze was toch Albanese! Ze vond het niet erg dat ik een foto maakte, deed zelfs haar hoofddoek wat naar achteren zodat ik haar dikke bruine haar kon zien (een pruik?). Prena heette ze. We zeiden elkaar wel twintig keer gedag en bleven daarna nog eindeloos zwaaien. Later moest ik nog sterk aan haar denken, ook vanwege alle geplette druiven en de kleverigheid in mijn tas.


erf
Het erf van Prena

prena
Prena


Van het etnografische museum waar ik heen wilde, een gebouw uit de Ottomaanse tijd, gebouwd op een rots, was niet veel meer over. Op de benedenverdieping schuilden de schapen voor de zon, sommige keken me verbaasd aan, andere nieuwsgierig, toen ik eindelijk klaar was met fotograferen sprongen ze een voor een boos blatend over de drempel om in een verbazend tempo over het pad naar beneden uit beeld te verdwijnen. Ik liep door naar boven, kwam bij een soort ravijn met water in de diepje, eigenlijk mooier nog dan het pad naar de waterval, dat als zo spectaculair beschreven staat. Drie meisjes waren me achterop gekomen. Heb je chocola, vroegen ze, heb je kauwgum? Gelukkig had ik nog drie kauwgumpjes. Het brutaalste meisje drukte ze uit de strip en gooide de strip op de grond. Ik protesteerde, gaf de strip aan haar terug en zei dat ze hem thuis weg moest gooien. Later nam ik hetzelfde paadje als dat zijn genomen hadden en zag ik tot mijn verbazing nergens een lege kauwgumstrip liggen. Ik snap wel hun verbazing over mijn verontwaardiging omdat je op sommige plekken door de rommel kunt waden hier. Na een tijdje zag ik ze opnieuw, nu bezig iets te wassen aan een pomp op een zanderig erfje waar een stuk of acht witte kippen liepen en je af en toe een volwassenene gebogen door het beeld zag schuiven met een emmer, zwijgend verstopt in zichzelf. Ze hadden de grootste lol dat ik ze gevolgd was. Of ik een koffie wilde, of een raki? Welja, doe maar een raki, zei ik. Voor honderd lek, zeiden ze er meteen bij, dat was wel zo duidelijk. Er kwam een klein krukje waar ik op kon zitten, en we kletsten en lachten samen, het was heel schattig. Het oudste meisje was zeventien, ze ging op dinsdag en donderdag in Shalë naar school, twee uur lopen heen en twee uur terug, het brutale meisje was elf, zij zat in Theth op school en sprak erg goed Engels. Het jongste meisje was tien, zij was de enige met een nog gaaf gebit.


schapen
In het etnografisch museum

museumschaap
Het etnografisch museum

meisjes
De meisjes


Weer bijna thuis kwam ik het Poolse stel tegen dat ik op weg naar de waterval had gezien. De man bloeide helemaal op toen hij merkte dat ik Pools sprak. Hij stak een pijp aan, ging ergens zitten en begon op zijn gemak te vertellen. Frappant genoeg bleek hij boswachter in het oerbos bij Bialystok, waar Jet en ik in 2000 met een boswachter een toer hebben gemaakt. Ze zouden elkaar vast hebben gekend, maar ik wist de naam niet meer. Ze wilden heel graag dat ik kwam als ik weer eens in Polen was. Ik zette het adres in mijn notes, maar even later veegde ik per ongeluk naar links en was ik het kwijt. Przykro mi!

Maandag, 17 september 2018
Het was alweer bijna voorbij, mijn avontuur in Theth, en ik was toch blij dat ik mijn trui had meegenomen, want het was een graad of vijf toen ik om zeven uur onder het afdakje zat te ontbijten, ik deed zelfs mijn handschoenen aan. Voor achten ging ik al op weg voor drie, vier uur lopen, richting Valbona en terug. Het was stil, en heerlijk koel. Een paar paardjes liepen een stukje met me mee, een gezadeld, in en om de huizen en de hostels zag je wat beginnende activiteit. Toeristen die hun schoenen controleren, rugzakken die bij elkaar worden gezet, mensen die hun sokken van de lijn halen.
Rond half negen kwam de zon in het dal en werd het meteen gloeiend heet. Langs het winkeltje ging ik over grote stukken rots van een zijriviertje langzaam omhoog langs een pad, waar af en toe ook een hoge auto langskwam. Verder was ik helemaal alleen. Het eerste dorpje, Gjelaj, was direct een sprookje, met wat verspreid liggende huizen in een reliëf van boomgaarden en graslandjes, gescheiden met muurtjes van gestapelde keien, appels op de grond, grazende schapen, kippen en koeien op de weg. Fantastisch.


naar valbona
Gjelaj

naar valbona


Van een iets hoger gelegen erf kwam een man naar me toe die vroeg ik koffie wilde. Nee nee zei ik, ik moet naar Valbona. Hij waggelde met zijn hoofd, wat behalve ja ook betekent: geen probleem. Dat vind ik zo bijzonder hier, je ziet geen teleurstelling of verwijt als je een aanbod afslaat of zelfs als je iets uitgebreid bekijkt en dan toch niet koopt. Alleen waar veel toeristen komen kun je merken dat mensen anders raken ingesteld.
Het ging een hele tijd over het pad en toen ineens via een kleiner paadje langs de heuvel omhoog. Ik zag dikke berkachtige bomen met rode, olijfachtige vruchten, beuken, toen veel varens, mos, luchtwortels, het was sprookjesachtig mooi. Ik was ook opgelucht dat het allemaal lukte met mijn knieën, het leek net alsof ik mijn bergwandelroutine terugvond. Ik had een mooie stok mee, achtergelaten door een van de Berlijners, die hem gepeld en zelfs gevernist had. Tot half tien zou ik veilig kunnen lopen, had ik bedacht, daarna beter terug naar huis om wat ruimte te hebben voor de bus zou komen. Ik vond het wel zeer spijtig, want het ging perfect en alles was schitterend mooi. Net voorbij een huis waar twee kinderen en een moeder op een erf tegen elkaar stonden te gillen, moest ik omdraaien. Wacht even hoor, dacht ik bij het huis, waar kwam ik nou vandaan? Ik volgde de markering maar herkende niets. Ik liep door, pijnigde mijn geheugen. Niets. Liep ik niet gewoon de verkeerde kant uit? O nee nee nee, verdwaald! Weer die idiote paniek om niets, en dat gevoel: daar heb je het. Ik begon zo'n beetje langs het pad te rennen, in de hoop iets tegen te komen wat ik zou herkennen, en toen zag ik ook de roodwitte markering niet meer. Ik keek op mijn horloge, het was tien voor tien. Oké, als je het om de volgende bocht nog niet weet, zei ik tegen mezelf, ga je terug naar het huisje en vraag je het, begrepen? Ik had een hartslag van 200. Doe even normaal, riep ik mezelf tot de orde! Je bent niet in de oerwouden van Colombia. Denk even na. Ik ging zitten en keek op mijn camera. Om 8.45 uur had ik een foto van een hekje gemaakt en om 8.53 uur een foto van het huis. Ik ging terug naar het huis en toen zag ik waar ik verkeerd gelopen was. Als je nou hiervandaan gaat moet je om tien over tien het hekje zien, sprak ik met mezelf af. Begrepen? Ja hoor, ik begreep het. Maar evengoed zag ik om tien over tien nog steeds geen hekje, sterker, er lag een boom over het pad, ik kon niet eens verder. Nu wist ik tenminste zeker dat ik terug moest naar het huis. Ik zou vragen of de man van de vrouw me kon gidsen, voor vijfhonderd, desnoods duizend lek, maakt niet uit! Twee kinderen, een klassieke Billie Turf en een meisje met een verwilderde blik in een kruiwagen, keken me stomverbaasd aan. Hun moeder zag er fris uit, maar we stonden elkaar aan te stamelen. Theth, zei ik. Theth, zei ze verbaasd. Heb je geen man, vroeg ik. Ze lachte een beetje. Natuurlijk... maar. Toen stapte ze over op het Italiaans. Ze kon zich terecht niet voorstellen dat ik een gids nodig zou hebben. Wil je naar Theth, vroeg ze voor de zekerheid nog maar eens. Ze wees naar een pad een stukje lager, een breed pad, geschikt voor auto's. Gewoon daarheen, zei ze, en de weg volgen. Kon het echt zo simpel zijn? Ik was gered! Maar hoe lang is het dan? Twintig, dertig minuten, zei ze. Ik bleef maar piekeren, hoe kon dat nou, en waar kwam ik dan uit? En toen herkende ik een stuk hout langs het pad. Ik had hier al gelopen! Het was lachwekkend, het was gewoon een klein stukje door het bos geweest, een lus van het pad af, die ik had gedaan, en tussen die lus, waar de schapen liepen, was ik als een gek heen en weer gaan rennen. Ik schaamde me, vooral naar die vrouw (Heb je geen man?) maar nou ja, dat gebeurt. Zij lacht er waarschijnljik hartelijk om, met haar burri.


hekje
Het hekje

huisje
Het huisje

familie
Mijn reddende engel, met haar kinderen


Toen ik terugwas bij Gjelaj, zag ik voor het eerst wat wandelaars. Het was ongeveer kwart voor elf, ze waren nu pas begonnen, zouden pas in de namiddag in Valbona zijn, wisten ze wel wat ze deden? Grote rugzakken op, ik keek met afgunst naar hun ingelopen, soepele bergschoenen, en hun vaste, nog niet door artrose en blessures belemmerde pas. Het werden er steeds meer, ik had wel een goed moment gekozen. Mijn knieën hielden het ook aardig, op de gêne na was ik eigenlijk heel blij en voldaan, ik was om twaalf uur terug, precies op tijd voor het busje. In mijn hoofd het heldere beeld van de bergen, de varens, de bomen, en die lieve vrouw met haar deelnemende ogen en haar verbazing. Ik kletste en lachte nog wat met Vera en Jolanda, ze waren heel liefhebbend, sloegen mijn kraagje om, veegden vlekjes van mijn broek. Ze waren trouwens niet bang voor directe vragen, die twee. Hoe oud ik was? Waarom ik mijn haar niet verfde? Gelukkig niet of ik een man had, wel of ik kinderen had.
Trudy bleek ook mee te gaan, de Nederlandse vrouw die ik de dag ervoor tegen het lijf gelopen was. De gastvrouwen vonden haar grappig, maar ook lastig. Ze had er een uur over gedaan om uit vier opties een kamer te kiezen, vertelde Jolanda, en vervolgens een uur om te besluiten wat ze wilde eten en hoe laat.
Daar was de bus. Trudy! riep ik naar boven, het busje! Trudy! riep Jolanda. Truuuuuudy! riep Vera. Het werd steeds erger, ook toen Trudy er al was en we met ons vieren naar beneden wandelden, Jolanda met mijn rugzak op. Truuuuuudy, schalde het door het dal. Trudy Trudy Truuuudy! Het was of we elkaar al jaren kenden, en gek genoeg, dat is volgens mij ook zo. Mensen als zij, een mens als ik. Ons leven kan nog zo verschillend zijn, ons wezen niet, denk ik. En de wereld van gebaren en oogopslagen is elementair.

De weg was ongelooflijk, had ik dat al verteld? tussen Bogë en Theth moet je bijna anderhalf uur schudden en hotsen, een en al grint en rotsen. De Poolse vrouw had bijna niet kunnen geloven waar ze in terecht gekomen waren met hun eigen leenauto. Strasznie, kurde! Dat zet je wel in je gids hè, zeiden ze, dat je dat niet moet doen! Ik had ondertussen een totaal andere kijk op onze chauffeur gekregen, dezelfde die me naar Theth had gebracht. Dat opgewondene was maar spel geweest, in feite was hij een meesterlijk beheerser van de auto op het pad, hij reed zonder moeite langs een afgrond achteruit om anderen voorbij te laten, of reed juist sneller om snel voorbij te kunnen, alles heel precies getimed en geplaatst. Zo halverwege waren wij nog getuige van een interessant incident van twee jeeps die op elkaar gestuit waren, net voor ons, en waarvan de berijders beiden weigerden achteruit te gaan. Ze hadden hun deur opengezet en hun voeten op het raamkozijn gelegd, heel uitsloverig, alsof ze er geen probleem mee hadden te wachten tot de ander zou besluiten terug te gaan. Na vijf minuten kreeg Lushi, onze chauffeur, die al lang achteruit gereden was, er genoeg van. Hij reed ernaartoe, wees een passagier aan die met hem mee moest, en liep op zijn gemak naar het tafereel. Er was wat gepraat, ik zag de voeten van de ramen verdwijnen, en toen ik van achter ons steeds meer potige kerels op het toneel zag verschijnen, ging het ineens helemaal snel. De tegemoetkomende chauffeur reed achteruit richting berg, er was niets aan, de auto voor ons passeerde. Vervolgens was Lushi diplomatiek genoeg om alsnog met alle anderen achteruit te gaan. En toen het meest interessante. Ik had al een tijdje zitten praten met twee jongens die naast mij op de achterste bank zaten. Ze hadden in Theth vrienden bezocht, deden allebei een sportopleiding, alles was  vriendelijk en gemoedelijk. Maar toen de dwarse tegemoetkomer een Pool bleek te zijn, ontplofte de jongen naast mij zowat. Er kwam een serie verwensingen uit zijn mond, zo hatelijk en vet, dat ik blij ben, bij uitzondering, ze niet te hebben kunnen verstaan. Relax relax, zeiden zijn vriend en ik allebei, klopjes op zijn been gevend. Ik snapte zijn kwaadheid trouwens wel. Dikke auto of niet, je bent hier wel te gast, en je moet de locale chauffeurs meer vertrouwen dan jezelf. De mensen zijn trots, dat had ik al gedacht. 'Kom ze niet te na, want dan zie je het vloeibare staal dat door hun aderen kruipt.'


onderweg
Onderweg naar beneden

trudy
Trudy, en een Albanese passagier (niet de schreeuwert), tijdens een stop in Bogë

gevangenis
Gevangenis in de buurt van Koplik


Trudy, die kaarsrecht op een van de voorste banken zat, vlak achter een maf wijf dat aan één stuk door zat te schreeuwen, wist nog niet wat ze zou doen. Ze was blij toen ik voorstelde haar naar mijn hostel mee te nemen. Terug naar Pemaj, ik hoefde alleen maar David te zeggen en Lushi wist waar ik heen moest. We aten samen, Trudy en ik, in een restaurant dat haar was aanbevolen, Villa Bekteshi en we hadden nog een interessant gesprek ook, over ouder worden en angsten. Ze was in de Oosterparkbuurt opgegroeid, waar ik als kind ook heb gewoond, en woonde nu in Amerbos, vlakbij de 'Spaanse paadjes' in de buurt in Noord waar ik ben opgegroeid. Gelukkig, nu ben ik weer bij. Vandaag ga ik fietsen!

Dit was maandag of dinsdag, inmiddels is het alweer donderdag, ik zit in café Malësia e Madhe, en wacht op de fugon die me naar Tamarë zal brengen. Uit Vermosh, in het uiterste noorden vandaan, vertrekken er 's morgensvroeg een stuk of drie, die hier dan om negen of tien uur zijn, en vervolgens gaan ze 's middags tussen een en twee, na vier uur koffiedrinken, allemaal weer terug. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de mensen uit Vermosh die in Shkodër werken, toch snap je niet waarom niet wat meer spreiding, en ééntje vice versa, maar ja, zo is er zoveel wat ik niet snap en wat het fijne mysterie Albanië een beetje in stand houdt. Tot de volgende keer lieve familie en vrienden.


Door naar de volgende aflevering
Terug naar het overzicht





Wil je meer weten over mijn andere werk? Ga naar de homepage van mijn site



Tekstbureau OpSchrift
Yvonne van Osch
Binnenkadijk 117, 1018 ZE Amsterdam
opschrift@tip.nl | 06-37313100